donderdag 26 april 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Manon - De Ouwe Seeman (6/10)
Gepubliceerd op: 08-05-2013 Aantal woorden: 1129
Laatste wijziging: 08-05-2013 Aantal views: 1408
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

De Ouwe Seeman (6/10)

Manon


(Wat voorafging: Op de begrafenis beginnen de onzinnige verhalen over hun overleden broer de familieleden danig de keel uit te hangen. Ze beslissen te vertrekken. Maar net wanneer ze aan de uitgang van de kerk zijn, wordt iets verteld over een stapels goudstaven die in het bezit van hun broer zou zijn beland...)


Ondertussen werd alweer een nieuw verhaal verteld. Dat ene verhaal... van die keer dat de bemanning op de boot van Fons geconfronteerd werd met vissen die een eigenaardig gedrag vertoonden. Ze kronkelden zich in alle richtingen, zigzagden, en zelfs al hadden ze de mensen opgemerkt, ze bleven steeds maar terugkomen...

‘Een octopus dook op uit het water. Al zijn tentakels lagen verward in een knoop! De bemanning heeft er werk aan gehad om die te ontwarren! Zelfs de meeuwen deden raar, het leken allemaal lachmeeuwen te zijn, en we kenden die vogels goed genoeg om te weten dat het zeemeeuwen waren.
In het water lag nog één matroos. Waarschijnlijk was er een schip gezonken. We hebben hem gered, maar het was erg moeilijk. De matroos was verschrikkelijk boos als we hem aan boord haalden, hij sprong altijd onmiddellijk terug het water in. Uiteindelijk hebben we hem moeten vastbinden, hij had zoveel energie, bijna een dwangbuis hebben we moeten gebruiken. En hij stonk!
Toen hij eenmaal vastlag, viel die geur ons op. Rum! En later, toen de matroos ontnuchterd was, hebben we vernomen dat een tanker met een lading alcohol was gezonken. De zeedieren hebben een party gehad!’


Tijdens het verhaal waren Frederic en Caroline op weg terug naar hun stoelen. Helaas, die waren al ingenomen door de mensen die rechtop waren moeten blijven staan. Caroline probeerde hen weg te jagen met haar lijvige massa en autoritaire blik, maar de vrienden van Fons waren onverbiddelijk.
‘Wij zijn familie!’ siste Caroline.
‘Jullie wilden hier weggaan!’ sisten de vrienden terug. ‘Wat denken jullie wel! Jullie kwamen Fons nooit opzoeken, ook nu waren jullie weg zo gauw je kon, en dan zou je de ereplaats moeten krijgen?’
Vastberaden bleven ze zitten.

De mis was begonnen. Religieuze gezangen volgden elkaar op. Ferdinand en Caroline bleven verveeld rechtop staan in het gangpad, meedogenloos samengeperst en uit hun evenwicht gebracht door andere mensen die hen daar hadden opgemerkt en er veel plezier in schiepen hen een elleboogstoot toe te dienen of op hun tenen te trappen.

Uiteindelijk lukte het Sebastiaan om zijn familie terug te vinden. Hij was al het dichtst bij de uitgang geweest, en had zich door een boel boze lijven moeten wringen om terug te kunnen.
Hij zuchtte. Zodra hij het woord ‘goudstaven’ had gehoord, had hij geweten dat hij hier onmogelijk tegenop zou kunnen en dat hij nooit op tijd zou komen op zijn afspraak. Zijn minnaresje had hem duidelijk laten verstaan dat ze om twee uur een vergadering had. Ze kon het zich niét veroorloven langer op hem te wachten... Hij zag het al voor zich, de hotelrekening voor niets, moeizame telefoongesprekken waarin hij zou proberen uit te leggen dat die onbelangrijke begrafenis van een onbeduidend familielid veel langer geduurd had dan voorzien... dat zij haar halve dag vakantie voor niets had opgenomen... haar gehuil... hoe het hem speet... dat hij haar terug wilde zien...
De gezangen eindigden en de directeur van de instelling kwam het altaar op. De familie hoopte uit alle macht dat zijn verschijning het teken was dat de kennissen aan hun finale tekst toe waren. Anders dan het voltallige publiek in de kerk, dat eerder een beteuterd gezicht trok bij de gedachte dat de dienst al voorbij zou kunnen zijn.

De directeur knikte de kerk vriendelijk toe.
‘Er bestaat een verhaal van een visser uit een primitieve beschaving, die ooit werd aangetroffen in een prauw, midden op zee. Hij was van zijn land afgedreven, met de stromingen, en op een of andere manier had hij al die tijd kunnen overleven op zee. Fons heeft iets dergelijks meegemaakt, maar dan wel anders: op een dag vaarde zijn schip recht af op iemand die op een vlot zat, zomaar midden in de oceaan.

De man was gebotst op een lading binnenbanden, een lading die een boot verloren had. Die had hij gemonteerd onder zijn vlot, hij had er nog een hele stapel op het vlot gezet zodat hij ze kon vervangen als ze kracht minderden. Zo heeft hij wekenlang op zee overleefd. Zeewater is zout, maar wie weet hoe hij het moet aanleggen, kan overleven, als je kan vissen tenminste. Toen de man ontdekt werd door Fons en zijn schippers, weigerde hij met hen mee te gaan naar een zogeheten beschaafde wereld. Het leven op zee bood hem alles wat hij nodig had: voeding en een onderkomen. Dan hebben de schippers hem geholpen om zijn vlot beter uit te bouwen, steviger, als een soort prauw, en ze hebben hem een zeil geschonken tegen de regen. Met al zijn ervaring en behendigheid kon de man op deze manier nog beter overleven. Ze lieten hem achter op de zee, daar was die man gelukkig. De zee, dat was de oneindigheid, de beweging van een oneindige leegte die altijd vol is...
Op die manier zag Fons de dood ook. Als een onbegrensde mogelijkheid voor alles, een onmetelijke vrijheid, waar niet een persoon bestaat, maar wel dat wat niet gemeten kan worden, het ongekende dat nooit door iemand gekend kan zijn... ‘schoonheid, liefde, leven of dood, noem het hoe je wilt, het is allemaal hetzelfde,’ zei Fons. Daarom was zijn dood zeker geen trieste of negatieve ervaring. Toen hij stierf, zei hij: ‘Ik zal hetzelfde doen als wat ik altijd gedaan heb... niets zijn. Alleen ben ik dat niet.’

‘Niets zijn!’ mompelde Ferdinand.
‘Hij kende zichzelf,’ grijnsde Caroline.

'Fons schoot in een lach en blies zijn laatste adem uit.
En juist omdat we weten dat hij er helemaal niet bang voor was, dat hij altijd gelukkig geweest is, en dat zijn overlijden bij hemzelf geen verdriet veroorzaakt heeft, kunnen we nu ook heel vredig afscheid van hem nemen...’

Verheugd aanhoorde de familie deze woorden. Ze snapten geen woord van wat de directeur allemaal had gezegd over leven en dood, maar het klonk behoorlijk diepzinnig en zoiets zou het einde betekenen van de kerkdienst.
Sebastiaan keek nogal onverschillig. Het was toch te laat. Hij zou zijn vriendinnetje niet meer ontmoeten - met haar uitingen van teleurstelling en haar wisselende stemmingen daarentegen zou hij genoeg te maken krijgen de volgende dagen.
‘Oef. Het is gedaan,’ zuchtte Caroline opgelucht.
Maar dat was te vroeg gejuicht.


(wordt vervolgd)
www.manonsite.eu
Er is ook een toneelversie van dit verhaal voorhanden. De tekst kan aangevraagd worden bij
manon@skynet.be

Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens