donderdag 26 april 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Manon - De Ouwe Seeman (1/10)
Gepubliceerd op: 04-04-2013 Aantal woorden: 1158
Laatste wijziging: 11-04-2013 Aantal views: 1477
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

De Ouwe Seeman (1/10)

Manon


REFREIN:
De ouwe seeman
Ging naar de bar
De ouwe seeman
Zijn pint stond klaar

De ouwe seeman
Had zo’n verdriet
Zijn lieve meissie
Ze was er niet

Hij had gevaren
Al over zee
Duizend gevaren
Maakte hij mee

Zijn boot was gezonken
Een keer of tien
Niets hield hem tegen
Om haar te zien

(refrein)

Hij werd beschonken
Daar in de bar
Hij had gedronken
Hij dacht aan haar

(refrein - allemaal!)




Op de laatste rijen van de kerk knoopten mensen hun jassen dicht en trokken ze hun sjaals nauwer aan. De priester had gevraagd om de deuren van de kerk niet te sluiten. Het was hartje winter en ijzig koud, toch vond hij dat iedereen die in de ingang stond het volste recht had om de ceremonie te volgen. Ook diegenen die achter de deuren stonden mochten de preek horen, luisteren naar de verschillende bijdragen die kennissen van de overledene zouden brengen, en opgaan in de gezangen en de muziek.

De dragers van de kist het niet makkelijk om zich een weg te banen doorheen de massa. De kerkgangers waren nochtans behulpzaam. Zodra de dragers de kerk binnenkwamen schoven mensen alle richtingen uit om plaats voor hen te maken. Maar dat zorgde telkens weer voor andere problemen, want naast, voor en achter die schuivende mensen stonden nog veel meer mensen.

Nochtans was er veel ruimte nodig. Niet voor de kist, die was van het standaardformaat. Maar bij de familie die de kist volgde, twee mannen, een vrouw en twee kinderen, hoorden vrij volumineuze personen. Vooral de vrouw had een bijzonder omvangrijke buste, brede heupen en een lijvig achterwerk. Bovendien had ze een présence, een manier om zich voort te bewegen waardoor haar figuur alle plaats leek op te vullen.

De vrouw, Caroline, had dan ook alle moeite om zich ondanks haar rondingen toch enigszins behaaglijk te installeren op een nauwe kerkstoel van de eerste rij. Toen dit gelukt was keek ze even om zich heen en schatte ze de mensen in die haar konden zien. Vervolgens tastte ze naar haar hoed, zich afvragend of ze hem zou afzetten. Uiteindelijk oordeelde ze dat dit nog even kon wachten.

‘Zoveel volk?’ vroeg haar kalende echtgenoot Sebastiaan.
Caroline wierp een misprijzende blik op de mensen die ze zo-even op de eerste rij had opgemerkt en die daar al hadden plaatsgenomen nog voor de familie was aangekomen. Slechts vijf plaatsen hadden ze vrijgelaten, net genoeg.
‘De eerste rij wordt gewoonlijk toch voorbehouden voor de familie!’ gaf ze als antwoord.
‘Soms ook voor mensen die een bijdrage zullen leveren aan de mis.’
‘Dat zal niemand doen. Mijn broer had geen vrienden.’
‘Waarom zit de kerk dan zo vol?’
Ferdinand, Carolines’ nog levende broer, keek over zijn schouder de kerk in. ‘Oud volk,’ oordeelde hij. ‘Waarschijnlijk de hele bevolking van het verzorgingstehuis. Begeleid door enkele verpleegsters.’
‘Die zijn niet opgedaagd voor Fons. Dat kan niet.’ vond Sebastiaan.
‘In zo’n tehuis is het misschien gebruikelijk om aanwezig te zijn op de begrafenis van een medebewoner,’ zei Ferdinand. ‘Het is meteen ook een uitstapje voor al die ouwe lui.’
‘Zou kunnen,’ gniffelde Sebastiaan. ‘Het was een groot verzorgingstehuis, en katholiek.’
‘Een uitstap naar een begrafenis is makkelijk te organiseren, en bovendien gratis,’ knikte Ferdinand.
‘Kortom, een begrafenis heeft voor zo’n instelling niets dan voordelen.’
‘Het was een nogal armzalig tehuis, maar wel goedkoop,’ voegde Caroline eraan toe.
Ferdinand snoof misprijzend. ‘Goedkoop moest het zijn, dat kon je zien aan de lijkwagen die ze besteld hebben... een schrijnwerker die een bijverdienste doet door af en toe een lijk te vervoeren.’
‘En die bijna zonder benzine gevallen is en is moeten gaan tanken, onderweg naar de kerk. De hele rij volgwagens die mee het tankstation binnenreden, en stonden te wachten tot de corbillard was bijgetankt. Een schande was het!’ viel Caroline uit.
De kinderen van haar broer proestten het uit bij de herinnering.

‘We zijn maar enkele keren naar dat tehuis gegaan...’ zei Ferdinand. ‘Niet meer dan een of twee keer per jaar...’
Nu begonnen zijn kinderen echt te giechelen. ‘En dan nog vooral met de bedoeling om er zo snel mogelijk weer weg te komen!’ grinnikte Ferdinands zoon Frederic. Zijn zusje Elke giechelde erop los.
Sebastiaan keek ongeduldig op zijn horloge. ‘Die priester zou er wel eens aan kunnen beginnen,’ fluisterde hij. ‘Ik heb wel andere dingen te doen dan op de begrafenis van jouw broer mijn tijd te zitten verknoeien.’
‘Je hebt weer belangrijker dingen te doen,’ echode Caroline.
Alsof de priester hun woorden wilde verhoren als een laatste wens geuit door de familie, beklom hij net op dat ogenblik het altaar en nam plaats voor zijn pupiter.
Sebastiaan zuchtte opgelucht. ‘Een halfuur, maximaal een uur,’ schatte hij.

Ferdinand begon zenuwachtige hikgeluidjes te produceren. Dat had hij altijd bij begrafenissen. In het aanschijn van de dood voelde hij zich vreselijk onbehaaglijk en door de spanning overviel hem iedere keer weer de neiging om in lachen uit te barsten.
Achter en naast hem wierpen mensen geïrriteerde blikken. Al zat de familie vooraan in de kerk, ze kon het niet negeren. De blikken van ergernis kwamen ook van de andere mensen op de eerste rij, en van mensen die in het gangpad stonden, vlak naast hen.
‘Kalmeer een beetje,’ vermaande Caroline haar broer. ‘Wat je doet is vreselijk ongepast.’
Uit alle macht probeerde Ferdinand zijn lachen in te houden maar het liep niet vlot. Om de haverklap probeerde een soort geproest te ontsnappen langs zijn stembanden, zijn mond en zijn neus. Zelfs al kon hij het geluid enigszins intomen, zijn schouders schokten en zijn rug boog soms zo diep naar voren dat het hoofd van Ferdinand zijn knieën raakte.
‘Straks lachen je kinderen nog mee,’ dreigde Caroline.
De kerk was muisstil.
Ferdinand moest zich wel schikken naar de alom aanwezige stilte. Hij trok zijn mond in een zo ernstig mogelijke plooi, beet hard op zijn wangen en probeerde zijn ruggenwervels te beheersen. Alleen in zijn ogen bleef de nerveuze lach tintelen.
Men kon een speld horen vallen.
Nederig boog de familie de hoofden.
Het orgel begon te spelen.

Verwonderd hieven de familieleden de nederig gebogen hoofden onmiddellijk weer op. Ze waren geen fervente kerkgangers, maar wanneer de etiquette het vereiste, verschenen ze op de dienst bij huwelijken of begrafenissen. Omdat ze niet meer van de jongste waren hadden ze dus al voldoende begrafenissen meegemaakt om volkomen vertrouwd te zijn met de opeenvolging van rituelen, gezangen en teksten van een begrafenismis. Ze wisten welke verschillende melodieën de orgels konden spelen.
Maar de melodie die ze nu hoorden was hen onbekend.
En kwam hen bovendien niet bijzonder heilig voor.


www.manonsite.eu
Dit verhaal is ook verkrijgbaar als toneeltekst. Je kan mij hiervoor contacteren via manon@skynet.be


Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens