woensdag 24 januari 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Manon - Als de dooi intreedt (2/3) - voor Bob Gadeyne
Gepubliceerd op: 27-09-2012 Aantal woorden: 1240
Laatste wijziging: 27-09-2012 Aantal views: 1272
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Als de dooi intreedt (2/3) - voor Bob Gadeyne

Manon


(Wat voorafging: Adèle is ontwaakt in een koele ziekenhuiskamer, omringd door lijken. Ze heeft de map met haar dossier meegenomen, en het ziekenhuis uitgevlucht. Ze belandt in een bizarre wereld, die lijkt op de wereld die ze kent en toch ook weer niet. Ze belandt in het straatleven van daklozen en ontmoet een groepje zwervers.)


Adèle zweeg. Ze waren onder zwervers. Het recht van de privacy was oppermachtig.
‘Een DNA-lezer bemachtigen is zo moeilijk niet,’ gaf Sem uiteindelijk toe. ‘Ik heb zo mijn contacten. Ik bezorg je er wel een.’
De volgende ochtend was het al geregeld. Hij bracht het chipje van nanoformaat in haar poriën in. Maar Adèle was ongerust. Waarom had ze eerder geen DNA-lezer gehad? Was ze een terroriste? Een opstandelinge? Misschien was ze wel ter dood veroordeeld! Sem was bereid om het met haar uit te testen. Samen gingen ze naar een krantenwinkel. Hij toonde hoe ze haar pols langs de lezer moest wrijven. ‘Als er een alarm afgaat, ga je lopen,’ zei hij. ‘Ik vertel wel een smoes aan de uitbater. Hij kent me. Hij zal je laten gaan.’

Sem ging de winkel binnen. Adèles hart klopte sneller. Zou het alarm loeien? Werd ze gezocht door de overheid? Ze zou het nu te weten komen.
Ze haalde diep adem en wreef met haar pols over het toestel. Ze stond op scherp om te vluchten.
Er weerklonk geen alarmsignaal.
Sem grijnsde opgewekt. Ze lachte terug. Ze was een vrij mens. Ze kon gaan en staan waar ze wilde.
‘Kijk,’ zei Sem. ‘Een lokale krant. Gratis editie. Wil je er een?’
De krant was een flinterdunne tablet. Ze nam een exemplaar.
Sem kocht nog een kleinigheid, en begeleidde Adèle vervolgens naar de bibliotheek.


oOo



Ze speelde wat met de tablet-krant. Hij was eenvoudig te bedienen, maar het taalgebruik van de artikels bleef vreemd voor haar. Toch snapte ze het meeste wel. Een stukje trok haar aandacht.

‘Enkele dagen geleden werden vijfhonderdtwintig lichamen ontdooid in het Universitair Ziekenhuis. Het gaat om de lichamen die in het jaar 1980 onwettig eerst in een zware coma gebracht en vervolgens ingevroren zijn geworden. Heel wat vermogende mensen die ongeneeslijk ziek waren zijn toen in het geheim uiterst dure contracten met de overheid aangegaan. Met dit geld werd onderzoek naar hun ziekte gefinancierd. Wanneer een geneesmiddel tegen hun ziekte was gevonden, zouden ze ontdooid en verzorgd worden. Helaas is de houdbaarheidsdatum van de zwaar comateuze lichamen nu verstreken. De zieken zijn feitelijk overleden. Hun lichamen werden ontdooid en zullen vandaag respectvol in groep gecremeerd worden.’

Het Universitair Ziekenhuis. Dat was de naam die op haar map stond. Adèle begon een levenslijn te zien in haar bestaan. Had ze behoord tot de personen die ingevroren waren geweest? Was ze opgestaan uit de zware coma terwijl ze ontdooide?
Ze diepte haar dossier op uit haar reistas en begon te lezen. De gegevens strookten met wat ze vermoedde. Lang geleden was ze geboren. Tegen het einde van haar bestaan had ze een hersentumor gehad, daarom was ze ingevroren.
Het leek allemaal heel logisch. De tabletkranten, de DNA-lezers, de vreemde taal die mensen spraken… Ze had duidelijk een aantal jaren in het leven overgeslagen. Een eeuw zelfs! Ze bevond zich in de toekomst, en die was het heden! Gretig las Adèle verder in haar dossier.

Sommige details kon ze amper geloven. In het leven waarvan ze zich niets meer van herinnerde, was ze in een klooster ingetreden! Het klooster was verbonden geweest aan een trappistenabdij.
Met die kennis kon ze nu in de archieven van de bibliotheek gaan rondsnuffelen. Het was even wennen om informatie op te vragen aan robots, maar algauw kon ze met die automaten overweg. Ze wreven alle digitale informatie over Adèles voorouders in haar DNA-lezer. Adèles brein las alles en sloeg de gegevens op die haar interesseerden.

Die avond vertelde ze haar geschiedenis aan Sem. ‘Het bier van de abdij van mijn voorouders was wereldwijd vermaard. Alles ging goed tot op een dag de abt schielijk overleed. Hij was de enige die het recept van het bier kende. Na zijn dood bleven de abdij en het bier bestaan, maar de kerkgangers waren niet enthousiast meer. Stilaan verdween zelfs het geloof uit de gemeente! Maar al is de abdij onbeduidend geworden, het bier bestaat nog steeds. Heb je zin in een trappist? Ik heb nog wat geld in mijn reistas…’
Dat aanbod sloeg Sem niet af. Ze zochten tot ze een kroeg vonden waar het abdijbier van haar voorouders nog op de kaart stond.
Adèle bestelde en proefde.
En verbleekte.

‘Wel?’ vroeg Sem.
Ze kokhalsde bijna. ‘Ik heb al veel meegemaakt, maar dit is de schrik van mijn leven. Dit is geen slootwater maar tien keren erger. Het lijkt wel puur vergif! Wat hebben de mensen met ons bier gedaan?!’
Hij grinnikte. ‘Neem iets anders. Er bestaan ook goede merken.’
Hij bestelde en ze ging naar het toilet. Terwijl ze plaste wierp ze een blik op wat al die tijd onbelangrijk had geleken: de tatoeage aan de binnenkant van haar dij die in haar dossier vermeld stond. Haar ogen werden gevangen in de prent. Ze gleed weg in een roes.

Ze liep door een lange tunnel. Aan het einde van de tunnel stond niet god. Evenmin Elvis Presley, of Mick Jagger. Bij Adèle stond een abt haar op te wachten.
‘Bob!’
‘Adèle! Eindelijk! Jij hebt mij nogal laten wachten, zeg! Wel honderd jaar!’
‘Maar… je bent toch dood? Of besta je nog? Mag ik nu met je mee naar de andere kant?’
‘Nee, Adèle, dit is een BIJNA dood ervaring, we bevinden ons niet in de dood. En ik kan je één ding verzekeren: geloof geen woord meer van al die praatjes over leven na de dood. De werkelijkheid is véél fantastischer dan je je kan inbeelden, dan wat erover verzonnen wordt. Maar hij ligt buiten de metingen van tijd en ruimte, ontsnapt aan zijn en niet zijn, en ligt buiten dat wat het brein kan bevatten. Daarom kan ik het niet uitleggen.’
‘Wat doe je hier dan?’
‘Je vertellen dat jouw tijd nog niet gekomen is. Ga terug naar het rijk der levenden en zoek uit wat je echt graag doet. Hou je daarmee bezig, maar steeds zonder anderen te kwetsen, en zonder jezelf te kwetsen.’
‘Doen wat ik echt graag doe. Wat zou dat zijn…’
‘Je zal het zelf wel ontdekken. En bekijk eens goed de binnenkant van je dij. Misschien is het dat waar je zin in hebt? Ik weet het niet. In ieder geval, nog veel plezier toegewenst. Dag Adèle!’
Hij gaf haar een duw in de gewenste richting en bleef haar nakijken tot ze ontwaakte in de dissectiekamer.


Toen ze daar ontwaakt was, was ze de bijna dood ervaring vergeten. Maar nu ze haar tatoeage bestudeerde kwamen alle herinneringen terug. Abt Bob, met wie ze zo’n innige relatie had gehad… het was niet voor niets dat hij in haar bijna dood ervaring had gestaan als symbool van vreugde en schoonheid. Het bier dat ze samen hadden gebrouwen had de geur van ware liefde geademd.
Terug in de kroeg vroeg Sem waar ze zolang gebleven was.
Adèle glimlachte gelukzalig. ‘Het wordt tijd voor het betere werk,’ antwoordde ze.


(wordt vervolgd)
www.manonsite.eu

Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens