donderdag 26 april 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Manon - Manon - Camping Martinatuur (27/33)
Gepubliceerd op: 26-04-2012 Aantal woorden: 2033
Laatste wijziging: 27-07-2015 Aantal views: 1203
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Manon - Camping Martinatuur (27/33)

Manon


(Een heleboel mensen en buitenaardsen zijn onderweg naar het kasteel. Maar ondertussen zijn Martine en Piet, samen met Boloog, al ver doorgedrongen in de onderaardse gangen van het kasteel…)


... Boloog beefde en daverde zo hevig dat Martine dankbaar was dat hij geen tanden meer had. Zo kon de figuur die hun richting uitkwam die tanden tenminste niet horen klapperen. Dat was al iets. Martine ademde zo stil mogelijk. Haar ademhaling was zo oppervlakkig dat ze zich even afvroeg of het mogelijk was dat ze helemaal was gestopt met ademen en toch nog bleef leven. Ook de andere twee stonden daar werkelijk muisstil. Alleen de voetstappen van de figuur waren hoorbaar, akelig galmend in de donkere gang. Behoedzaam kwam de figuur dichterbij. Nog dichterbij. Zijn lamp knipte hij slechts af en toe aan. Telkens richtte hij die op de andere wand van de tunnel, op de muur tegenover hen. Met zijn blik speurde hij ook uitsluitend die kant af. Hij passeerde zo dicht langs Martine dat ze dacht dat hij haar aanwezigheid zou voelen. Dan gebeurde dat waar ze voor gevreesd had. Vlak tegenover de plaats waar ze met zijn drieën tegen de wand geplakt stonden, bleef de figuur stilstaan. Met zijn rug naar hen toe. Tegen de verlichte wand van de tunnel was zijn figuur duidelijk te onderscheiden – hij had het silhouet van een Boloog. Hij was een van de vele klonen van de butler.

De Boloog gluurde schichtig naar het licht aan het uiteinde van de gang, dan ging hij voorzichtig tot vlak bij de wand die hij belichtte. Met zijn hand graaide hij in een holte in de muur. De hand kwam weer te voorschijn met een grote plastic zak, tot aan de rand gevuld met snoep. De Boloog tastte gretig toe en begon smakkend en zuigend te smullen.
Naast zich voelde Martine hoe de spieren van Boloog Dubbelnulmans verkrampten. Ze kon zich voorstellen hoe hevig Boloog zich moest bedwingen om niet, in volle vaart, rechtstreeks op het zakje met snoep af te vliegen. Het kwijl uit zijn mond droop tot op haar hand.
De kloon verslond nog enkele snoepjes en propte daarna zijn mond zo vol tot er echt niets meer bijkon. Dan sloot hij de plastic zak zorgvuldig en plaatste hem terug in de holte van de muur. Hij doofde zijn lamp. Om de tunnel weer uit te gaan had hij geen licht nodig, hij kon zich richten op het licht aan het einde van de tunnel. Aan de wand gekluisterd hoorden Martine, Piet en Boloog Dubbelnulmans zijn voetstappen langzaam verdwijnen terwijl zijn figuur steeds kleiner werd.

Martine en Piet ontspanden gelijktijdig. Dubbelnulmans was niet meer te houden. In een oogwenk had hij de plastic zak te pakken.
‘Ikke honger! Ikke honger!’ herhaalde hij steeds weer wanneer zijn mond niet te vol was. In enkele tellen was de plastic zak leeg. Boloog keek hen aan met een mond omringd door chocoladevegen, likkend aan zijn wangen, knabbelend op restjes tussen enkele overgebleven tanden, en met verrukte ogen waar de nasmaak van de heerlijkste lekkernijen open en bloot in te lezen was.
‘Mooi!’ zei Martine. ‘Je hebt gegeten. Da’s goed.’
‘Maar we moeten weer verder,’ fluisterde Piet.
Boloog, helemaal terug in vorm door de zopas aangebrachte suikers, stapte parmantig met hen op tot bij de verlichte gang. Ze stopten net voor de lichtstrook.
‘Er liggen sporen voor een treintje,’ zei Martine.
Piet knikte. ‘Ja. Voor treinen. Om materiaal mee te vervoeren.’
‘Het ziet er niet echt goed onderhouden uit.’
‘Toch lijkt het te functioneren, want de sporen blinken,’ zei Piet.
‘Die Hilaire voert iets in zijn schild.’

Die baron bleek nog gevaarlijker dan ze gedacht hadden. Bijzonder alert, oren gespitst en met ogen die alles in zich opnamen, betraden ze de verlichte gang. Er was niemand te zien. Op onregelmatige afstanden was er verlichting. Aan het plafond hing de elektrische leiding voor de treinlocomotieven. Links en rechts in de muren bevonden zich nissen met deuren. Waarschijnlijk gaven die toegang tot andere gangen of tot ruimtes met... wie weet wat in.
Piet vroeg het aan Boloog: ‘Waar geven die deuren op uit?’
‘Op fanallef. Kamers met vanallef.’
‘Zijn ze op slot?’
Boloog schudde zijn hoofd. ‘Neeje, alleen balon en bologen weten fan die gangen hiel duf moeten nie op slot.’
‘Maar misschien zijn er wel bologen in die kamers,’ zei Martine.
‘Boloog, als jij nu eens zo’n deur opendeed... jij valt niet zo op als wij...’ vroeg Piet.
Boloog schudde opnieuw zijn hoofd. Heel heftig ditmaal. ‘Nee! Ikke nie! Ikke eigenlijk dood! Iedereen denken ikke dood. Ikke liefer nie deuren openmaken.’ Hij keek Piet en Martine recht in de ogen. ‘Maal... ‘t Is vool jullie. Dus ’t is goe. Ikke wel doen.’
Hij was al weg naar de eerste deur. Voorzichtig stak hij zijn hoofd naar binnen. ‘Leeg!’ fluisterde hij over zijn schouders naar de hoofden van Martine en Piet links en rechts van hem.

De volgende kamer was minder leeg en minder onschuldig. Tegen elke wand stonden grote, zwarte koffers op elkaar gestapeld. Piet maakte een nog niet gerangschikte koffer open en floot.
‘Bommen,’ zei hij. ‘Niets dan bommen en granaten.’
In de volgende kamer dook een andere Boloog op. Dubbelnulmans bleef als versteend staan. De kloon was bezig met dozen op elkaar te stapelen, keek even om en werkte dan gewoon verder. In het halve duister van de ruimte had hij Boloog Dubbelnulmans niet herkend. Dat stelde deze laatste gerust. Misschien zou geen enkele kloon hem herkennen. Ze leken zo op elkaar.
Boloog opende nu enthousiast de ene deur na de andere. Er waren ruimtes gevuld met geweren, kamers met kleding voor militairen, met tenten en bevoorradingspakketten. Er was materiaal om te overleven in de woestijn en materiaal dat zeer bruikbaar zou zijn op Antarctica.
In één kamer had Boloog het moeilijk om weer weg te komen. Voeding, voeding, niets dan droge voeding in poedervorm. Piet legde hem uit dat dergelijk voedsel niet bijzonder lekker was en Martine vond dat hij al voldoende snoep naar binnen had gewerkt. Boloog keek teleurgesteld, maar zei niets en ging verder.

‘Alle kamers zijn hetzelfde. Ofwel zijn het wapenopslagplaatsen ofwel ruimtes met voeding of ander militair materiaal,’ zei Martine.
Net dan belandden ze in een ruimte die hen iets anders liet zien.
Martine keek Piet vragend aan, maar hij had hier ook niet direct een antwoord op. ‘Heel vreemd materiaal,’ zei hij.
‘Om te klonen?’ opperde Martine.
Piet weifelde. ‘Nee. Het moet iets anders zijn. Sommige componenten ken ik wel. Het is een soort gesofisticeerd computermateriaal. Maar ik ken het niet allemaal.’
En er was nog iets anders met deze kamer. Aan het einde ervan bevond zich een lange, stevige trap. Op de trapleuning liep een mechanisme voor elektrisch aangedreven bakken, waarschijnlijk om het elektronische materiaal naar boven te vervoeren.
‘Daar gaan wij heen,’ zei Piet. ‘Hier beneden zullen we alleen nog meer voorraden vinden. Maar hogerop zou weleens iets anders kunnen liggen.’
Vol vragen keek Martine naar boven. ‘Misschien leidt de trap wel naar de bom,’ zei ze. Haar stem klonk net iets minder zeker dan een minuut geleden. Toch volgde ze Piet en Boloog, de betonnen trap op.

Die gaf niet uit op een ruime kamer met een grote bom in het midden. Boven aan de trap breidde het netwerk van gangen zich alleen maar verder uit. Ook door de nieuwe gangen liepen treinsporen. En op al die gangen kwamen weer nieuwe zijgangen uit.
Een trein met een hele resem wagons kwam aangereden. Instinctief weken Martine, Piet en Boloog achteruit in de nis van een deur. Martine en Piet bleven staan om de trein en zijn lading te observeren. Achter hen opende Boloog op goed geluk de deur.
Onmiddellijk hoorde hij een woeste kreet: ‘Ahoempf!’
Die werd gevolgd door nog meer kreten: ‘Hoempf! Ahoempf! Hoempf!’
Het kabaal bereikte Martine en Piet niet. De trein denderde voorbij onder hun nieuwsgierige blikken. Pas toen de trein in de verte verdwenen was, hoorden ze achter zich een daverend applaus met gejuich. Ze draaiden zich om en zagen Boloog met gebalde vuisten staan. Naast hem op de grond lag een gevelde kloon. Onverschrokken, als een onvervalste krachtpatser, ging Boloog een volgende kloon te lijf. Die zwaaide vervaarlijk met een houten knuppel. Boloog had alleen zijn vuisten, maar ze waren meer dan efficiënt.
‘Hoempf! Ahoempf!’ schreeuwde hij en deelde enkele rake klappen uit.
Piet en Martine snelden te hulp, maar ze waren te laat: de kloon met de knuppel lag er al uitgeteld bij. Het gejoel en applaus verdubbelde in intensiteit. Het was afkomstig uit de ruimte die door de twee wachters bewaakt werd: een enorme zaal met een tiental kleine, afgebakende en vergrendelde cellen. In de cellen stonden boloogjes hen aan te staren.
‘De gevangenis,’ zei Piet.

Boloog Dubbelnulmans stond voor de cellen, en zelfs doorheen het lawaaiige gejuich van de klonen was zijn geroep verstaanbaar. ‘Da zijn Maltien en Piet! Maltien en Piet fijn goe! Ze doen nie kwaad! Ze zijn Maltien en Piet! Fe fijn goe!’
Daarop ontstond een stilte. Boloog benutte die om hun aandacht verder vast te houden. ‘Jullie fijn ook goe. Balon is flecht. Wij balon aanvallen!’
Nu daverden de cellen echt op hun grondvesten. Boloog was ontzettend trots op zijn overtuigingskracht en klopte zich op de borst. ‘Ikke goe gegeten! Ikke veel fnoep gehad hebbe! Ikke fterk!’
‘Ja, Boloog, je bent een superman en als we terug thuis zijn krijg je een enorme friet. Maar vertel ons eerst eens wat er hier aan de hand is,’ zei Martine.
‘Mama Daify maak defe clowns in hun cellen fpeciaal om haal pelsoonlijk te dienen. Maal fe fitten altijd in de cellen. Ze mogen noojt in contact komen met de andele clowns.’
‘Gevangen als slaven,’ zei Piet. Hij begon die Hilaire hartstochtelijk te haten.
‘Gaan ze dan nooit buiten?’ vroeg Martine.
‘Nee,’ zei Dubbelnulmans. ‘Fe fitten hiel. Fe mogen nie buiten. Fe klijgen eten, da’f al, en fe moeten mama Daify velzolgen. Schlobben en ftof zuigen.’

Ondertussen had Piet de sleutelbos van de cellen uit de broekzak van de wachter gehaald. In de cellen sprongen de bologen op en neer en liepen ze wild heen en weer, krijsend en gillend. De nakende vrijheid maakte hen hyperactief en nerveus.
Eén voor één opende Piet de cellen. De misbruikte bologen werden vervangen door de twee wachters. Toen die veilig waren opgesloten, richtte Piet zich tot de bevrijde bologen. ‘Mama Daisy, wie is dat?’ vroeg hij.
Als één man antwoordden ze hem, allemaal samen: ‘Mama Daisy! Mama Daisy! Groot machien!’
‘Hoe bedoel je? Mama Daisy heeft een groot machien?’
‘Neenee, mama Daisy IS groot machien!’
‘Is vriendin van de baron!’
‘Is ons ma!’
Boloog legde het beter uit. ‘Mama Daify, een gloot maffien, kan spleken en denken, feel betel dan wij, en zelfs feel betel dan de balon.’
De klonen begonnen weer te roepen. ‘Mama goeie vriendin van de baron!’
‘Mama Daisy heeft ons gemaakt in grote glazen dozen!’
‘Groot geheim!’
‘We mogen het niet zeggen!’
‘Mama heeft voor ons gezorgd. Heeft ons grootgebracht!’
‘We mogen niks slecht van haar zeggen!’
‘We mogen nooit andere klonen zien.’
‘We moeten haar verzorgen.’
‘Mama Daisy ziet ons eigenlijk niet graag.’

Boloog probeerde het nog duidelijker te maken. ‘Mama Daify altijd feggen fij vool ons alles gedaan wat ze moest doen. En dat sij de baas.’
‘En jullie doen wat zij zegt?’ vroeg Martine, volkomen overbodig.
‘Tuulijk! Want de aliens gaan komen en allef kapotmaken. En alleen mama Daify kan ons ledden! Alleen bij mama Daify zijn we feilig!’
In gedachten was Piet al bij die enorme computer. Hij wilde er zo snel mogelijk naartoe. ‘Als die supercomputer de Bologen en de baron beheerst, dan is het ook zij die de bom controleert,’ zei hij.


(wordt vervolgd)



Op deze website kan je het volledige boek lezen.
De gedrukte versie van Camping Martinatuur kan besteld worden door me te contacteren via mijn emailadres.
Alle info met de nodige links vind je op mijn website, www.manonsite.eu

Camping Martinatuur
Copyright 2008 Manon
manon@skynet.be
www.manonsite.eu
Omslag: Kaisan
ISBN: 9789079457014
NUR: 300
Vertaald naar het Frans onder de titel: ‘Camping Martinature’


Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens