woensdag 24 januari 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Manon - Manon - Camping Martinatuur (24/33)
Gepubliceerd op: 05-04-2012 Aantal woorden: 3198
Laatste wijziging: 27-07-2015 Aantal views: 1349
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Manon - Camping Martinatuur (24/33)

Manon


(Alles is in goede handen in de camping. Piet en Martine trekken erop uit om langs een geheime weg het kasteel binnen te dringen…)


De donkerte van de nacht. Vuurvliegjes trokken er groene strepen door. Tussen takjes en in kleine hoekjes van rotssteen gloeiden glimwormen. Piet vertelde in het oor van Martine dat al die diertjes ook een zaklamp op hun hoofd droegen, net als zij - een heel kleintje. Vandaar het licht. Hij voegde er meteen aan toe dat het niet waar was en gaf haar een dikke smakkerd. Af en toe, tussen de bomen, op een plek met hoog gras en wilde kruiden, was er ook het schijnsel van de maan.
In de camping was het feest volop aan de gang. Daar zorgden Râar, Zhîm en de Flitser voor het lichtorgel terwijl Buck en Chuck zich bekommerden om de muziekinstallatie. Hier, diep doorgedrongen in het bos, in het domein van de baron, bereikte Piet en Martine slechts de lage dreun van gedempte bassen.

Met de speleologenlampen op hun hoofd en de toortsen in hun hand zochten Martine en Piet al een hele poos naar de onderaardse gang waar de collega van Buck het over had. Om niet op te vallen wilden ze hun lampen niet de hele tijd aanhouden. Het was belangrijk om onopgemerkt te blijven op het grondgebied van de kasteelheer. Ze waren bezig met gevaarlijk werk.
Piet en Martine hadden al honderden meters afgelegd, zigzaggend en in kringen, maar toch bleef de ingang naar een tunnel onder de grond voor hen verborgen. Zij aan zij, niet echt overtuigd dat ze die ingang nog zouden vinden, speurden Martine en Piet de diepzwarte omgeving verder af.

Plots was er het gefladder van opgeschrokken vogels. In de windstille lucht bewogen takken. Dieren ritselden in alle richtingen door dorre bladeren in een poging om snel weg te komen. Twijgjes kraakten en braken af. Een jonge ree galoppeerde rakelings langs Martine, die schrok. Piet en Martine doken weg tussen de struiken en bleven gehurkt zitten zonder een vin te verroeren. Behoedzaam observeerden ze de richting vanwaar het geluid kwam. Geen mens noch de kloon van een mens was te bespeuren. Ze luisterden, wachtten, speurden de nacht af met hun ogen.
Tientallen meters verder tekende plots een zwarte gedaante zich af tegen de hemel. Martine porde Piet in zijn zij en wees. Piets vinger wees in exact dezelfde richting.
De gedaante bewoog zich niet. Lange tijd bleef ze daar staan, onbeweeglijk hun richting uitkijkend.

De donkere figuur vermoedde dat er iemand in de omgeving was. Ze moest iets gehoord of gezien hebben. Martine en Piet wisten dat de body paint op hun huid na een zestal seconden de kleur van de omgeving aannam en dat ze op dit moment volkomen onzichtbaar waren geworden. Piet was een volwaardige Zwarte Piet in de nacht. Dat stelde hem gerust want het was net alsof de duistere gedaante hem persoonlijk aanstaarde. Te laat besefte Piet dat hij zijn speleologenlampje niet zoals Martine in zijn hand geklemd hield, maar op zijn voorhoofd had gelaten. Hij had het uitgezet, maar af en toe reflecteerde het licht van de maan in het glas en het spiegeltje van de lamp. Net toen Piet zich dat realiseerde draaide de gedaante zich om en zette het op een lopen. Piet verloor geen moment en rende er achteraan, een fractie van een seconde later gevolgd door Martine. Overal om hen heen schrok het bos op in nog grotere verwarring en onrust. Duiven vlogen op, fazanten renden weg, konijnen schoten in alle richtingen.

De kleine, kortgestuikte gedaante zigzagde door de duisternis, baande zich een weg langs bomen en struiken in een poging om aan Martine en Piet te ontkomen. Het ontbrak hem wel enigszins aan behendigheid, lenigheid om snel vooruit te komen. Veeleer struikelend dan lopend vorderde hij, telkens achterom kijkend naar Piet en Martine. Daardoor raakte hij verstrikt in een tak met evenveel vertakkingen als het gewei van een oud mannetjeshert. Hij kwam met zijn neus op de grond terecht.
Piet dook er in het donker naartoe en belandde bovenop hem. Veel moeite had Martine niet om het hoopje mensen bij te benen en zich er ook op te gooien. Dan richtten ze hun zaklampen op zijn gezicht.
‘Boloog!’ hijgde Martine.
‘Boloog!’ fluisterde Piet.
Alle klonen zijn dezelfde maar uit een miljoen klonen zouden ze Boloog Dubbelnulmans nog altijd herkend hebben.

Boloog schreeuwde het uit. ‘Maltien! Nie kwaad zijn vool glanaat in flituul! Ikke al gestlaft. En vleed elg.’ Bevend keek hij vooral Martine aan. Zowel Martine als Piet losten hun greep. Martine legde een hand op zijn schouder en de andere op zijn mond en zei: ‘We zijn niet kwaad. En maak niet teveel lawaai.’
Boloog haalde haar hand weg en zei: ‘Piet is een ééljen, Maltien. Vanuit de luimte! Hij ons allemaal kapot willen maken! Ikke zekel weten! Hij zelf gezegd!’
‘Nee, Piet is zeker geen alien. Hij is een rare kwast, maar hij is een goeie kwast. Zoals jij een goede kloon bent.’
‘Ikke goeie clown? Kafteelheel zeggen dat ikke flechte clown en dat alle eeljens flecht.’
‘De kasteelheer is slecht. Jij hebt hem echt willen helpen en hij heeft je gestraft. Is dat goed?’
‘Nee, dat is flecht. Duf. Kafteelheel flecht.’
‘Zijn we weer goeie vrienden?’ vroeg Martine.
Boloog keek haar recht aan. ‘Magda? Kanda?’
‘Natuurlijk kanda en magda.’ Ze pakte hem vast en drukte hem tegen zich aan.
Boloog keek haar aan met een intense gloed in zijn ogen. De angst was eruit verdwenen en had plaatsgemaakt voor verliefdheid. ‘Maltien goed,’ besloot hij. Van haar ging zijn blik net iets minder enthousiast naar Piet. ‘Piet. Geen eeljen?’
‘Geen eeljen,’ verzekerde Martine hem nogmaals.
‘Vlienden?’ In het donker staarde Boloog naar Piet.
Martine richtte haar lichtbundel op het gezicht van Piet. Totaal verblind stak hij zijn hand uit naar Boloog en zei: ‘Bien sûr, copain, heel goeie vrienden. Maar vertel eens, wat is er eigenlijk met jou gebeurd? En wat is daar allemaal aan de hand op dat kasteel?’
Onmiddellijk begon Boloog aan een onverstaanbare woordenstroom. Martine en Piet vingen hier en daar woorden op als ‘kafteelheel’ ‘execusie’ ‘geflucht’ ‘gefaalijk’ ‘ondelaaldse gang.’
Piet onderbrak de wartaal. ‘Wat zeg je? Onderaardse gang? Boloog, waar is die ergens? Weet je de ingang zijn?’
‘Tuulijk! Ik daal wonen! Ikke tunnels kennen als mijn bloekzak!’
Boloog scharrelde recht en deed teken met zijn hoofd. Zonder angst voor het duister liep hij hen voor door de struiken. Ineens was hij zijn onhandigheid kwijt. Gezwind wees hij de weg, blindelings slalommend in de donkerte en zonder de minste behoefte aan hoofdlampjes of enige andere verlichting.

Dan bleven Martine en Piet staan. Boven hen gleden drie heldere geelwitte lichten, traag en in alle stilte. Tussen de drie lichten ontwaarden ze vaag een donkere, zwarte driehoek. Onderaan, in het centrum van de geelwitte lichten, knipperde een kleiner, iets roder licht. Het ruimteschip gleed langzaam op zijn zij. Het draaide en nam de richting van de feestweide. Het volgde de aanwijzingen van Zhîm en Râar, het werd geleid door de spots met zwart licht. Het ruimteschip kwam weer in de horizontale stand en gleed naar de camping.
Met open mond stonden Martine en Piet te kijken. Ze beseften dat ze een ufo zagen, een ruimtetuig waarin vreemde wezens reisden die zo dadelijk zouden kennismaken met een fuif in volle gang. Ze grepen elkaars handen en zwijgend, in een stille verbazing, volgden ze de vlucht van het ruimteschip.
‘De takeldienst,’ knipoogde Piet, al wist hij dat Martine dat allang en wist hij dat ze zijn knipoog onmogelijk kon waarnemen in het donker.
Boloog vroeg zich af waarom Piet en Martine hem niet meer volgden. Hij riep hen, gedempt.
Piet kon niet aan de verleiding weerstaan om zijn zaklamp op het ruimteschip te richten. Dat reageerde ogenblikkelijk. Meteen werd een hevige lichtbundel op hen gericht. Gedrieën stonden ze in het licht.
‘Niet bang zijn,’ riep Martine haastig naar Boloog. ‘Het zijn vrienden. Ze komen met hun moderne caravan. Ze gaan naar de camping.’
‘En wij naar de tunnels,’ vulde Piet aan. ‘Gaan we?’
‘Kom mee, kom mee,’ antwoordde Boloog ongeduldig.

Toen zag Piet het. Enkele meters verder, achter een boomstam, verdoken tussen de struiken, bevond zich de ingang van een grot. Ontgoocheld mompelde hij: ‘Dat is het niet waar we naar op zoek zijn. Dit is een grot, geen gang om naar het kasteel te gaan.’
‘Jawel, wel gang, aan einde. Dooldat het ingestolt if komen ze me hiel niet zoeken. En diep in glot, moeilijke doolgang tot in glote gang. Veel wlingen en wlikken dan kan je el doolkomen. Maal heel donkel.’
Het was niet de geheime doorgang waarover de collega van Buck en Chuck had verteld, maar als Boloog gelijk had was het netwerk van gangen onder het kasteel evengoed langs deze kant bereikbaar. Dan zaten Martine en Piet nu op rozen en straks midden in het kasteel.
Boloog leidde hen naar de grot achter de boomstam.

In de grot was het veel kouder en volkomen donker. Piet en Martine deden hun zaklampen aan. Tientallen kristalletjes, flikkerende puntjes lichtten op. Aan het plafond hingen broze, kwetsbare stalactieten. Op de grond liepen kleine waterstroompjes, minuscule riviertjes van grondwater dat langzaam maar ononderbroken naar beneden druppelde.
Toen zagen Piet en Martine al het andere op de grond. Etensresten. Kaarsen. Een matras van droog gras... Ongelovig keken ze om zich heen.
‘Woon je hier?’ Piet kreeg visioenen van mensen die ratten vangen en spinnen eten om niet te verhongeren.
‘Ja, hiel woon ik nu. ’f Nachts kom ik kouwe flieten pikken in de flituul.’ Boloog wierp een gegeneerde blik op Martine, maar toen die niet boos werd, bekende hij nog meer. ‘Ikke wel bang vool jullie, dool die glanaat, maja, ikke hongel. Duf... kouwe flieten.’
‘Je steelde nog andere dingen,’ zei Martine. Ze had onmiddellijk de kaarsjes herkend waar ze naar had lopen zoeken. ‘En ik ben trouwens erg blij dat je die kaarsen gepikt hebt. Rond het middaguur valt er misschien nog wat daglicht binnen in deze onderaardse kamer, maar zodra buiten het helderste licht verdwijnt, zit jij hier in de diepste duisternis. Dan heb je die kaarsjes hard nodig!’

‘Boloog, we moeten naar de baron,’ zei Piet.
‘Hij heeft een gevaarlijk wapen, Boloog,’ zei Martine. ‘Een of andere bom. Die moeten we zo snel mogelijk vinden.’
‘O ja! Eél gevaalijke bom.’ Boloog begon aan een hele uitleg. Piet en Martine hoopten dat Boloog meer wist over de bom, en alle mogelijke informatie kon vreselijk kostbaar zijn. Want met een gevaarlijke gek als Hilaire de Bonnevalle kon hun leven en ook het leven van een heleboel andere mensen op het spel staan. Daarom lieten ze Boloog zijn hele uitleg doen.
Dat deed hij, en het kon niet snel genoeg gaan. Terwijl ze aandachtig luisterden bewogen Martine en Piet regelmatig hun lichaam, zodat ze niet onzichtbaar werden door de body paint en opgingen in de achtergrond. Ze wilden niet dat Boloog toch nog zou gaan twijfelen en hen voor aliens zou nemen.
Boloog Dubbelnulmans vertelde alles, chronologisch. Het moest er allemaal uit. Stamelend, stotterend, met veel onbegrijpelijke woorden en een mond zonder tanden vertelde hij, vertelde hij, vertelde hij honderduit.

‘Ikke mis. Ikke danie mogen doen met die glanaat in de flituul. De camping if goed. Goed if goed, punt uit. Piet geen alien. Maal toen wiftik da nog nie.’
‘Jaja,’ onderbrak Piet hem ongeduldig.
‘Maja tis nu zo,’ viel Boloog hem bij. ‘Duf, na de glanaat in de flituul ikke dilect naal balon gelopen om allef te feltellen van Piet de eeljen en de glanaat die ikke gegooid in flituul. De balon in velgadeling met de zefen befte clowns, ovel de a-bom.’
‘De a-bom?’ vroeg Martine. ‘Weet je dat heel zeker?’
‘Een zéél gefaalijke bom die mama Daify gaat gebluiken alf el aliens zijn, en die de hele stleek en de hellef van de weleld gaat kapotmaken.’
‘Mama Daisy?’ vroeg Piet.
‘Een atóómbom?’ riep Martine. ‘Hoe kon Hilaire...’
‘Jaja, een hele glote, stelke bom.’
Martine en Piet keken elkaar aan.
‘Hij is ertoe in staat, denk ik,’ zei Martine. ‘De baron kan klonen... wellicht kan hij nog veel meer...’
‘En wie is die mama Daisy?’ vroeg Piet.
Onstuitbaar ging Boloog verder met zijn verhaal: ‘Wat nu weel? Wat nu weel? Wat is el deze keel weel gebeuld!’ liep de balon. Hij heel kwaad. Hij vloeg waal mijn tanden walen, en waalom mijn ogen nog glotel walen dan gewoonlijk. Hij zei, ikke als kabeljauw in een visbokaal. Maal ikke feltellen da ikke goeie clown. Da ikke geschoten en glanaat gegooid naal eeljen. Maal feltellen zondel tanden, twas meoljek. De balon luistelde niet eenf. Hij echt heel flecht. Ikke nog blijven plobelen om me te doen velstaan maal hij splak met clown nummel één. Die heef een blil met hele dikke glazen, maal veldel is hij geslaagd, el is bijna geen velschil met de butlel. De balon zei aan hem: ‘Afvoelen en pangpang.’
‘Een monster!’ siste Martine.
‘Ik plobeelde aan de almen van de blillenkloon te ontsnappen maal dat if ook miflukt,’ vervolgde Boloog. ‘Ik wil Dubbelnulmanf nooit meel te zien klijgen. Nooit!’ blieste de balon. Hij tlok een holizontale stleep vool zijn hals en zei: ‘Koewiek!’
De blillenkloon knikken en zei: ‘Het zal gebeulen, Heel.’ Hij mij stevig vast, ikke konnie weg.’

Piet keek Boloog aan in het zwakke schijnsel van de kaarsjes. De kortgestuikte zat nog met de daver op zijn lijf terwijl hij het vertelde.
‘Hoe ben je dan ontsnapt?’ vroeg hij.
Er lag plots een trotse gloed in de bolle ogen van Dubbelnulmans. ‘Wasse bijna dood,’ zei hij heldhaftig. ‘Maal de blillenkloon kannie goe zien en kan ook nie goe mikken. Zijn glazen in zijn blil veel te dik. Hij schoot één keel, dag datik dood was, en ging weg. En toen liep ik weg. Naal hiel. En ik leven van kouwe flieten en wilde aaldbeien. Maal nie genoeg. Ikke toch nog veel hongel hool.’
‘Je hebt een reusachtige warme friet nodig!’ beaamde Martine.
Bij die woorden vulden de ogen van Boloog zijn hele gelaat. Maar het bleef bij een visioen.
‘Eerst hebben we iets anders te doen,’ besloot Piet. ‘Iets wat nog belangrijker is. Boloog, je zei dat je hier de weg kent.’
‘Ken je de weg naar die gevaarlijke bom?’ vroeg Martine.
Boloog sprong recht. Als hij moest kiezen tussen een pak friet of het onschadelijk maken van de kasteelheer, koos hij gretig voor het laatste. Piet en Martine zagen verwonderd hoe de kleine kortgestuikte met zijn lompe beentjes een sneltreinvaart nam en het diepste punt van zijn schuilplaats opzocht om helemaal te verdwijnen in de grot. Ze volgden hem opnieuw.

Koude, bruine, glibberige aarde was vermengd met stenen, kleine kiezels en grote stukken afgebrokkelde rotswand. De gang nam scherpe, onvoorspelbare wendingen. Laaghangende stukken donkergrijze rots vroegen de aandacht, putten in de grond benamen het evenwicht. Aan het plafond groeiden stalactietjes. Gaandeweg vernauwde de grot zich meer en meer. Tenslotte was rechtop lopen niet meer mogelijk. Ze moesten kruipend, gehurkt, zelfs eens op hun buik verder sluipen.
De klank van druppelend water weerkaatste tegen de wanden en verhoogde de geheimzinnige sfeer. Plik. Plok. Plik. Plok. Ploing. Ploing. Martine werd er zenuwachtig van. De druppels herinnerden haar aan het aftellen van een bom. En ze had het heel wat moeilijker dan de mannen om door de verschillende openingen te komen. Ze moest een ingewikkeld strategische spel spelen om haar welgevormde borsten, haar omvangrijke achterwerk en mollige bekken op verschillende momenten door de kleine doorgangen te wringen zonder dat ze in stukken werd verdeeld. Gelukkig, het lukte en het bleef lukken.

Geleidelijk legden ze honderden meters af. Uiteindelijk bereikten ze een verbreding en kwamen ze terecht in een ander soort gang. Hier lagen nauwelijks nog rotsstenen op de grond. Deze gang was een en al puin, maar het was het materiaal van een ingestorte tunnel, door mensenhanden gegraven. Hopelijk gaf hij uit op een belangrijke onderaardse gang die in verbinding stond met het kasteel.
‘En hoe moet het nu verder, Boloog?’ vroeg Martine.
‘Kunnen we hier wel nog verder?’ vroeg Piet.
‘Zekel! Zekel! Meekomen!’ riep Boloog en hij wrong zich door nauwe openingen in het puin.
Door het puin kruipen was minder moeilijk dan ze gevreesd hadden. Ook in deze verwaarloosde, ingestorte gang kende Boloog de makkelijkste trajecten. Klauterend op handen en voeten leidde hij Martine en Piet er doorheen. En dan ineens was er een zwart gat, een lange, rechte tunnel. Een onderaardse gang met een stevig plafond.
Martine en Piet haalden diep adem. Ze waren er. Ze stonden in een van de tunnels onder het kasteel. Decennia geleden gegraven door een of ander leger.
En aan het einde van de tunnel was licht.

De tunnel zelf was koud en pikdonker. Martine en Piet doofden hun lampen, want als iemand toevallig de donkere gang in zou kijken, zouden brandende toortsen zeker opgemerkt worden. Ze hadden ook geen zaklampen meer nodig, ze konden zich richten op het licht aan het einde van de tunnel.
In deze gang galmde elke klank. Ze letten erop dat elke stap die ze zetten zo zacht mogelijk neerkwam. Ze wisselden geen woord en ademden zo stil mogelijk.
Hoe dichter ze het lichtpunt naderden, hoe meer nieuwe geluiden hen bereikten. Het lichte getik van de druppels doorsijpelend grondwater werd overstemd door een licht gesnor. Even later kwam daar nog een krachtig gezoem bij, en het ritmische hijgen van pompen. Toen ze nog verder gingen was er ook het luide gebrom van actieve ventilatoren. Dan bereikten hen ook menselijke geluiden. Stemmen. De woorden konden ze niet begrijpen, maar de stemmen vertelden wel dat het alsmaar gevaarlijker werd. Piet, Martine en Boloog bleven dicht bij elkaar. Automatisch stapten ze nog trager, en al gingen voorheen hun voetstappen bijna onhoorbaar, nu leken hun schoenen bijna te zweven, zo geluidloos verplaatsten ze zich.

Ze waren slechts een honderdtal stappen meer verwijderd van het einde van de tunnel toen ineens een silhouet opdook in het heldere licht. De figuur bleef staan en keek de donkere tunnel in. Boloog manoeuvreerde zich tussen Piet en Martine en verstijfde helemaal. Alle drie bleven ze roerloos stilstaan, alle zintuigen tot het uiterste gescherpt.
De figuur gluurde om zich heen in alle richtingen.
Hij keek opnieuw de donkere gang in.
Boloog schoof langzaam achteruit en verborg zich achter Piet en Martine.
Het wezen kwam de gang in. Eenmaal uit het heldere licht knipte hij zijn toorts aan. Hij kwam regelrecht hun richting uit.
Piet en Martine schreden langzaam naar de wand van de gang.
Gedrieën plakten ze zich met hun rug stevig tegen de wand aan.
Boloog beefde en daverde zo hevig dat Martine dankbaar was dat hij geen tanden meer had.


(wordt vervolgd)



Op deze website kan je het volledige boek lezen.
De gedrukte versie van Camping Martinatuur kan besteld worden door me te contacteren via mijn emailadres.
Alle info met de nodige links vind je op mijn website, www.manonsite.eu

Camping Martinatuur
Copyright 2008 Manon
manon@skynet.be
www.manonsite.eu
Omslag: Kaisan
ISBN: 9789079457014
NUR: 300
Vertaald naar het Frans onder de titel: ‘Camping Martinature’


Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens