donderdag 26 april 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Manon - Manon - Camping Martinatuur (18/33)
Gepubliceerd op: 23-02-2012 Aantal woorden: 2273
Laatste wijziging: 27-07-2015 Aantal views: 1270
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Manon - Camping Martinatuur (18/33)

Manon


(Martine, Piet, Buck en Chuck hebben min of meer achterhaald wat er met Boloog aan de hand is, en wat er in het kasteel gebeurt. Mogelijk zijn dat heel gevaarlijke dingen. Hoe moet het nu verder?)


Martine wilde een kan zeer sterke koffie klaarmaken maar nam eerst een flinke slok brandy. Buck en Chuck zagen dat en konden hun ogen er niet van afwenden.
‘Brandy voor iedereen!’ kondigde Martine dan maar aan.
Ze vulde de glazen en zette kopjes klaar voor de espresso. De koffiezet blies, pruttelde en slikte. Alles was weer helemaal in zijn gewone doen. Martine voelde zich opgelucht, maar tegelijk vreesde ze dat er nog veel stond aan te komen.
Piet zat aan een tafeltje en dacht luidop na. ‘Boloog is ervan overtuigd dat ik een buitenaardse ben. Eerst wilde hij de eer aan zich houden, maar na de mislukte aanslag op de frituur is hij het zeker gaan vertellen op het kasteel. Nu valt af te wachten hoe de baron daarop zal reageren.’

Tot nu toe hadden ze niemand opgemerkt die vanuit het kasteel een kijkje was komen nemen op de camping. Er viel ook geen enkele Boloog te bespeuren.
‘Dat laat vermoeden dat de uitleg van Dubbelnulmans niet ernstig werd genomen door Hilaire,’ bedacht Martine. ‘Kermend van de pijn en zonder tanden is Boloog er misschien niet toe in staat geweest om zijn boodschap over te brengen.’
‘Het misprijzen van de kasteelheer voor Boloog Dubbelnulmans zal de communicatie evenmin verbeterd hebben,’ grijnsde Chuck.
‘Maar die situatie kan snel veranderen. Met zo iemand in de omgeving moeten we bijzonder goed op onze hoede zijn,’ zei Piet.

Tijdens het gesprek dat volgde, over een buitenaardse Piet en de angst voor aliens in het kasteel, bleef de aandacht van Buck intens gericht op de foto’s aan de wand. De mooie afbeeldingen van de Aarde, helaas afgedekt met mayonaise en ketchup. Plots, met zijn brandy in de hand, liep Buck tot achter de toog. Met zijn rechter wijsvinger veegde hij enkele spatten weg. Onder een dikke kwak mayonaise ontdekte hij een vreemde lichtconstructie.
Martine vulde de kopjes met espresso. ‘Dat is een fout,’ legde ze uit. ‘Die komt op verschillende foto’s voor. Piet heeft zich voor die vlekjes verontschuldigd toen hij me de foto’s gaf. Hij wist zelf niet hoe die bizarre lichtstructuur was ontstaan, hij heeft de oorsprong ervan niet kunnen achterhalen.’
Aan het tafeltje knikte Piet, minzaam monkelend, terwijl hij Buck gadesloeg. Die kreeg steeds meer belangstelling voor de foto’s, en veegde ook de andere schoon van spatten mayonaise en ketchup. Op elke foto verscheen diezelfde lichtstreep, maar telkens op een andere plaats. De streep was net iets te vreemd en te stabiel om als fout te kunnen doorgaan, en dat ontging Buck niet. Bovendien volgde de streep duidelijk een bepaald traject. En als Buck dat traject met zijn vinger doortrok tot aan het aardoppervlak, kwam hij uit bij een plek die hem welbekend was.

Martine ging naar het tafeltje en pootte de kopjes neer voor Piet en Chuck, die nu voorzien waren van brandy en espresso. Het ontbrak hen aan niets.
‘Boloog had het niet helemaal mis. Er stààt een ufo op de camping,’ klonk het van achter de toog.
Als antwoord kwakte Martine haar tweede brandy in één teug achter de kiezen. Ze slaakte een diepe zucht en greep dan haar espresso met een zwierige beweging – met een iets té zwierige beweging. Ze was het absoluut niet gewoon om zoveel alcohol te drinken en ze wist dat ze teveel op had. Maar een granaat in de frituur, een kloon op de camping, een buur die een leger kloonde... en nu nog een ufo op de kampeerweide! Teveel is teveel. Waarom geen roze olifanten?!
Ze richtte haar blik starend, aandachtig voor zich uit, maar er waren geen roze olifanten. Alleen een zeer ernstige Buck die bijschoof aan tafel en hardnekkig volhield dat er een ruimtetuig op de kampeerweide stond.
‘We hebben de gezochte foto’s opgespoord, man,’ zei hij tegen Chuck. ‘Opdracht volbracht.’
Chuck en Piet aanhoorden het allemaal met een brede glimlach.
Chuck dacht dat het om een grap ging en deed zijn duit in het zakje. ‘Er zit wel wat in, in wat je zegt, Buck. Het was ons toch ook al opgevallen dat de twee bewoners van die avantgardistische caravan vreselijke bleekblauwhuiden waren. Ze hadden een blauwe schijn op hun huid.’ Hij knikte een hele tijd affirmatief voor zich uit om aan te geven dat hij het volkomen eens was met Buck. ‘En ze hebben urenlang in de zon gelegen. Iedereen zou in die omstandigheden zo rood als een kreeft worden, zich doodkrabben, vervellen, maar zij lopen er ondertussen bij als schitterend zongebruinde fotomodellen. En dan nog iets!’ vervolgde hij. ‘Weet je nog wat een moeite ze hadden om ons te begrijpen toen we hen de weg naar de frituur wezen? Ze spraken geen half woord Engels, geen vierde woord Frans en nul Chinees. Maar even later hebben ze met allerlei mensen gepraat. Ze hebben vlotte gesprekken gevoerd, ook met Piet.’

Voor Buck was het echter geen grap. ‘Martine, jij hebt ze ingeschreven. Waar beweren die twee vandaan te komen?’
Martine had echt teveel brandy’s op. Ze hoorde de vraag niet eens. Dromerig zat ze voor zich uit te staren naar Piet. In haar brein doken beelden op van infiltrerende undercover-agenten.
‘Wie zijn júllie eigenlijk?’ vroeg ze aan Buck en Chuck. ‘Hoe komt het dat jullie zo koelbloedig met een granaat kunnen omspringen?’
Het was niet de eerste keer dat Buck een grote warmte voelde opwellen voor Martine. Ze gaf hem geen antwoord, maar stelde een nieuwe vraag. De enige vraag die er voor haar werkelijk toe deed. Wat een vrouw! What a wife! What a wife!

Buck dronk zijn espresso leeg en was blij eens iets over zichzelf te kunnen vertellen. ‘Chuck en ik zijn absoluut geen eersteklas geheime agenten, maar we zijn wél geheime agenten. Helaas worden we steeds weer belast met onbelangrijke zaken. Zoals deze: de foto’s zoeken waar de sporen van een geheimzinnige ufo op te zien zouden zijn. De CIA heeft ons hier naartoe gestuurd omdat ze dit een belachelijke opdracht vindt. Tja, in de hiërarchie zijn Chuck en ik geparkeerd op een plek vanwaar je nooit hogerop geraakt. Dit werk komt ons al lang de strot uit... en sedert we op deze camping beland zijn is het nog veel erger geworden. Hier is het leven zo anders dan alles wat we kennen. Een plekje temidden van bossen waar je in plaats van het geluid van auto’s het kwetteren van vogeltjes hoort. Het zoemen van muggen (liefst buiten de tent, natuurlijk) in plaats van het zoemen van computers. Rotsen, bossen, een meer, dat alles zonder teveel toeristen. En daarbij kwam dat we verplicht waren onze kleren uit te spelen. En onze wapens. Iedereen loopt hier bloot, zelfs onze concurrenten. We babbelen en lachen vriendschappelijk met concurrenten van over de hele wereld. Onze opdracht, dat onderzoek naar ufo’s, kreeg een soort vrolijkheid over zich.’

Buck kapte de rest van zijn brandy naar binnen, speurend naar een tweede portie. ‘En jij, Martine, jij bent daar verantwoordelijk voor. Je runt de zaak met een vanzelfsprekend plezier in het leven want je loopt de hele tijd te zingen, iets wat wij al lang verleerd hebben. Wij zijn niet langer jazzy. Jij wel.’
Chuck beaamde wat zijn vriend vertelde door de hele tijd zijn hoofd stevig op en neer te bewegen. ‘Dat zingen van jou is extreem belangrijk voor ons, weet je? Belangrijker dan je denkt. Hoe meer we je hoorden zingen, hoe meer we beseften dat we niet eens meer hogerop wíllen bij de CIA!’
‘Door mijn stem te horen?’ vroeg Martine verbaasd. ‘Wat is er aan mijn stem dat hij jullie carrièreplanning overhoop gooit?’
‘Je hebt een jazzy, blues soort stem,’ legde Buck uit.
‘Met veel ritme en grappige tonen en tessituurtjes,’ zei Chuck.
Martine kon niet goed meer volgen, maar dat was niet nodig want Buck ging verder. ‘We zijn Tex-Mex, we zijn opgegroeid in de achterbuurten van El Paso. Straatjochies. Ik kreeg al heel vroeg mijn eigen sax...’ Hij staarde dromerig voor zich uit, in de wereld van de herinneringen.
‘Die sax! Daar verrichtte je wonderen mee!’ zei Chuck. ‘Ik had een accordeon en een bandeon, en elke avond stonden we te jammen in de straat. Elke avond van elke dag, van elke week, van elke maand, van elk jaar...’
Er kwam een droeve blik in hun ogen.
‘De leukste dagen van mijn leven,’ zei Buck. ‘Het ritme, de beweging, het gevoel dat alles mogelijk is... Chuck en ik vormden een mooi duo. Jarenlang hebben we opgetreden in de bekende zalen van de stad. Als er een feest werd georganiseerd, werden wij gevraagd. Helaas, het is allemaal voorbij.’
‘Maar hoe zijn jullie dan bij de CIA terechtgekomen?’ vroeg Martine.
‘Je moet dollars hebben om te leven,’ zei Buck. ‘Otherwise No Meat Ball. Want met jazz en muziek valt niet veel te rapen.’
‘Niet veel’... misschien net genoeg om te overleven, maar niet om te leven zoals de anderen,’ vervolgde Chuck. ‘En je wil gewoon zijn, geld hebben zoals iedereen. Van het een komt het ander. Je zegt aan elkaar, we zullen blijven muziek maken in onze vrije tijd, als hobby, als amateurs. En uiteindelijk ben je geheim agent en is er geen tijd meer om muziek te maken. En zo verzoop ook onze hobby in het niets.’
‘Een hobby? Vrije tijd?’ vroeg Martine verwonderd. ‘Wat is dat voor iets?’ Voor haar was alle tijd vrij. De frituur bracht niet veel op, maar ze was hier graag. Elke dag, elk uur, elke minuut voelde ze zich vrij. Haar hele leven was vrije tijd.

‘Maar we zullen het ze daar bij de CIA eens goed betaald zetten,’ grijnsde Buck. ‘Elk verslag van onze huidge activiteiten stellen we zo lang mogelijk uit en als we het maken, geven we een hele ingewikkelde, speciale uitleg. Eigenlijk vertellen we hen voortdurend dat we net op het punt staan iets te ontdekken maar dat we nog net iets meer tijd nodig hebben. We willen met hun kloten rammelen.’
‘Je ziet het, de CIA zit ons erg hoog,’ zei Chuck en hij keek Piet recht in de ogen. ‘Héél hoog. Nog véél hoger dan de planeet waar die zogezegde buitenaardsen vandaan komen.’
Vanuit haar ooghoeken zag Martine dat Piet het gesprek volgde met een glimlach en guitig dichtgeknepen ogen. Hij zag eruit alsof hij veel meer wist dan alles wat er verteld werd, en hij leek ook Buck en Chuck compleet te vertrouwen.
‘Wat hebben Zhîm en Râar je eigenlijk verteld toen ze zich inschreven?’ vroeg Piet aan Martine.
Martine keek pal in haar lege kopje terwijl ze in de tijd terugging. ‘Tja, er is inderdaad iets vreemds aan de hand...’ gaf ze toe. ‘Op een ochtend kwam ik uit de frituur, en daar stond die bizarre caravan. Dat rare ding zonder wielen en zonder vensters. Ze waren ’s nachts aangekomen zonder dat ik iets had gehoord. Dat was normaal, want die nacht woedde er een hevig onweer.’
‘Je hebt ze toch ingeschreven?’ drong Buck aan. ‘Hebben ze hun naam en adres opgegeven?’
‘Ze gedroegen zich alsof ze niet eens wisten dat ze zich moesten inschrijven. Gisterenmiddag hebben ze het dan toch gedaan, maar of hun gegevens juist zijn weet ik niet. Ze hadden geen paspoort. Het kon hen niks schelen en ik heb hen gezegd dat het mij ook niks kon schelen. Zolang ze betaalden was het voor mij in orde.’
‘Had je toen al brandy gedronken?’ vroeg Piet.
‘En, hebben ze betaald?’ Chuck kon zijn pret niet op. ‘In welke munt, Martine? Marsmunt? Uranusmunt? Saturnusmunt? Venusmunt?’
‘Kruizemunt,’ antwoordde Martine. ‘Ze hebben nog niet betaald.’
‘Kortom, we zitten met een vreemd allegaartje op de camping,’ concludeerde Buck. ‘Die Boloog met zijn granaat en zijn angst voor aliens... Een caravan met buitenaardsen... Een kudde geheime agenten.’

Piet ging op zijn beurt naar de foto’s aan de wand en gaf het eindelijk toe. ‘Buck heeft het bij het rechte eind. Die lichtvlekken, verborgen onder de mayonaise, zijn inderdaad foto’s van een ruimtetuig dat afdaalt naar de camping. Die caravan zonder wieltjes is niet hypermodern. Het is een ufo, en de bewoners komen van héél ver. Ze zijn supergesofisticeerd. We zijn zeer goede vrienden geworden, en ze vinden het hier bijzonder aangenaam. Dus, als er problemen komen, zullen zij ons zeker helpen. Granaten, revolvers, Bologen of andere zware problemen, om het even.’
Stomverbaasd keek Martine naar de foto’s. ‘Wel verdomme. De voorbije dagen heb ik er de hele tijd naar staan kijken. Bossen, rivieren, wegen... Maar het witte streepje dat een ufo is, daar lette ik niet op. Ik keek naar dat ene vlekje, hier, dat intens rode vlekje.’ Ze wees de plek aan. ‘Zie je, dit hele uitgestrekte gebied is witgeel. Alleen hier is er dat dieprode vlekje. Ik vroeg me altijd af wat dát te betekenen had.’
‘Misschien is daar ook wel een verklaring voor,’ zei Piet. ‘Maar dat is voor later. Eerst het belangrijkste.’
‘Op naar Râar en Zhîm!’ zei Chuck.
Op de deur van de frituur hing nog altijd het bord met ‘EVEN GESLOTEN’.

(wordt vervolgd)



Op deze website kan je het volledige boek lezen.
De gedrukte versie van Camping Martinatuur kan besteld worden door me te contacteren op mijn emailadres.
Alle info met de nodige links vind je op mijn website, www.manonsite.eu.

Camping Martinatuur
Copyright 2008 Manon
manon@skynet.be
www.manonsite.eu
Omslag: Kaisan
ISBN: 9789079457014
NUR: 300
Vertaald naar het Frans onder de titel: ‘Camping Martinature’


Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens