woensdag 17 oktober 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Manon - Manon - Camping Martinatuur (17/33)
Gepubliceerd op: 16-02-2012 Aantal woorden: 4195
Laatste wijziging: 27-07-2015 Aantal views: 2055
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Manon - Camping Martinatuur (17/33)

Manon


(Nadat Boloog Piet heeft willen vermoorden en een aanslag op de frituur heeft gepleegd, trekken Martine, Piet, Buck en Chuck eropuit om te onderzoeken wat er gaande is….)


De caravan van Boloog stond plompverloren, eenzaam, in een uithoek van de kampeerweide. Vanuit die plaats kon hij de hele camping prachtig overzien en had hij ook nog zicht op het kasteel in het domein naast de camping.
Zijn caravan zag er nog vreemder en uitheemser uit dan het stulpje van Râar en Zhîm. De ufo had wielen noch vensters, maar de vorm en de kleur leken sterk op de gewone, moderne caravan. De caravan van Boloog daarentegen had meer iets van een in de lengte doorgesneden half conservenblik, een soort oude badkuip, ondersteboven neergepoot en volledig in aluminium opgetrokken: het was de beroemde Amerikaanse oldtimer – wel een oldtimer in bijzonder slechte staat.
Door totale afwezigheid van onderhoud was hij onvermijdelijk zelfstandig gaan transformeren tot schroothoop. Het viel te betwijfelen of het rammelding, zelfs aangehaakt aan een krachtige, moderne auto, nog een reis zou kunnen ondernemen zonder uit elkaar te vallen in een hoop armzalige panelen en vijsjes.

Toch had Martine dit ding wel graag op haar camping. Die aluminium bak had iets wat al die plastic, witte caravans niet meer hadden. Terwijl het groepje de caravan van Boloog naderde zagen ze hoe de wolken niet alleen in de lucht maar eveneens in het aluminium van de caravan ronddreven. Hoe het groene gras van de weide gewoon leek door te lopen in de spiegel.
‘Binnen de caravan zal er wel een andere wereld zijn dan wolken, blauwe lucht en zon,’ verwittigde Piet.
Om die wereld te ontdekken moesten ze de deur openen. Buck en Chuck waren er gerust in. Ze verwachtten niet veel problemen om in dat oude, versleten model van woonwagen binnen te dringen. Maar de deur zat stevig op slot en grendel. Er zat zelfs een alarmsysteem op de caravan.
‘Die vent heeft wat te verbergen,’ meende Chuck.
‘En dat zouden wij allemaal graag weten,’ mompelde Piet.
Toch waren al die sloten geen probleem, zelfs niet voor derderangsspionnen. Het alarm ging niet af en de deur kriepte open.
‘Laten we die omgekeerde casserolle op wieltjes dan maar verkennen.’ Als verantwoordelijke van de camping betrad Martine als eerste de ruimte.

Het was er donker, want alle vensters waren afgedekt met aluminium. Maar vooral de geur stoorde hen. Overal lagen blikken en potjes met resten voedsel dat aan het wegrotten was en een kwalijke stank verspreidde. Zwermen fruitvliegjes benamen het zicht op een tros zwarte bananen. Een paar potten en pannen lagen afgedekt met een deksel. Martine kon de neiging niet bedwingen om in een van die potten te kijken... een tros wemelende wormen wriemelde, geschrokken door het licht. Even dacht Martine haar maag niet langer de baas te kunnen maar ze beheerste zich door te denken aan een heerlijk Armaniparfum.
Piet, die elders in de caravan op verkenning was, probeerde een raam open te maken. ‘De stank is hier niet te harden. We moeten ervoor zorgen dat hij naar buiten kan,’ zei hij.
‘Boloog verlucht zijn caravan nooit. De deur laat hij altijd op slot. Zijn ramen zijn altijd gesloten en de vensters zijn afgedekt met aluminiumfolie. Ook als er geen zon is. Regen, storm of zon, alles blijft altijd afgesloten,’ antwoordde Martine.
‘Verdomme! Die ramen zijn dichtgelast!’ Piet floot van verwondering. ‘Dichtgelast, alsjeblieft! Gelukkig kunnen we de deur nog openlaten.’

Het reukorgaan went snel. Na enkele minuten waren ze de stank min of meer gewoon en al konden ze niet echt doen alsof er geen geurtje aan de lucht was, hun nieuwsgierigheid en de wil om te weten wat er aan de hand was, nam de bovenhand.
‘De binnenbekleding imiteert de buitenkant,’ zei Martine. ‘De caravan is getapisseerd met aluminiumfolie. Bijeengehouden met plakband en lijm.’
Naast het divan-bed stond een wekker die het niet meer deed. De opklapbare tafel hing schuin, de wandkasten stonden vol fresco’s van vettige vlekken. Buck en Chuck waren met hun behendigheid van spionnen al een tijd bezig de gammele kasten open te maken. De caravan was zo scheefgetrokken dat alles klem zat. Ze moesten duwen, trekken, kloppen, slaan, wrikken en wringen, en uiteindelijk lukte het toch.

De inhoud van de kasten was oud en muf en stonk. Er waren enkele truien vol gaten, slecht ruikende, ongewassen onderbroeken, lege bierflesjes, een lade vol met gereedschap dat niet langer bruikbaar was. Toen Buck de hamer vastpakte, viel de kop van de steel, een zaag viel uit haar handvat en een beiteltje werd bijeengehouden met roestige haakjes en kauwgum.
Veel bewijzen dat hier sprake was van een gewelddadige samenzwering vonden ze niet. Revolvers, pistolen, materiaal om bommen en granaten te fabriceren blonken uit door hun afwezigheid.
Buck zag een dikke muis met een snor vol geperimeerde mayonaise wegvluchten en liet een diepe zucht. ‘Ik heb al veel honken van gangsters gezien, maar dit slaat alles,’ zei hij.
Chuck zat vanop het opklapbed het hele gebeuren gade te slaan.
Buck liet zich zuchtend naast hem op het matras neerzakken en het hele opklapbed klapte in elkaar. Het hoofdkussen kwam op de bodem van de caravan terecht met een iets te harde en doffe klap voor een zacht hoofdkussen. Uit het kussen stak de hoek van een plastic map. In tegenstelling tot alles wat in de kasten lag, was deze map niet vuil of aan het wegrotten onder de whiskyvlekken en spatten mayonaise. Hij bevatte een pakje documenten, redelijk netjes bijeengehouden en gerangschikt.

Onmiddellijk schaarde het groepje zich rond het schuin hangende tafelblad waar Buck de bladzijden begon om te draaien.
‘Wat een raar fotoboek,’ zei Martine.
Verwonderd bekeken ze de beelden naarmate Buck de bladzijden omdraaide. Blad na blad. Iedere keer zagen ze hetzelfde: foto’s van Boloog. De foto’s toonden meestal niet één Boloog, maar twee of drie, soms stonden er tien Bologen op één foto. Soms was de groep zo groot, dat het leek of er wel dertig Bologen op de foto stonden.
‘Holy shit!’ riep Buck. ‘En ze wonen allemaal op het kasteel! Dat is duidelijk te zien op de foto’s.’
‘Zijn dat getrukeerde foto’s? Heeft Boloog op de computer zitten spelen, zichzelf gekopieerd, geplakt, gemonteerd?’ vroeg Martine.
‘Ik denk niet dat hij gekopieerd en geplakt heeft...’ mijmerde Piet. ‘Ik denk ook niet dat hij met een computer overweg kan, zelfs niet met de eenvoudigste programma’s.’
Toen ze aan de laatste pagina kwamen staarden ze recht in de bolle ogen van een Boloog die de hele pagina in beslag nam.
‘Dat is wat ik dacht,’ zei Piet. Zijn stem had het timbre van een doodgraver en Martine wist dat er in zijn brein een interessant inzicht opborrelde.
‘Onze Boloog is een kopie van de man op deze foto hier,’ zei Piet. ‘Boloog is een kloon!’

‘Een kloon...’ zei Chuck. ‘Vandaar al die nummertjes. Boven elke foto staat een nummer. Het zijn allemaal klonen. Een bende klonen!’
‘Daarom heeft de laatste foto geen nummer. Die man is het origineel...’ mompelde Chuck. ‘Ze hadden beter een mooier model uitgekozen om te klonen,’ voegde hij eraan toe.
‘Een leger klonen... geleid door een kloot!’ zei Piet. ‘Met name, Hilaire de Bonnevalle, baron, kasteelheer. En wreedaard!’
Ze waren totaal verbluft.
‘Dus ze klonen mensen in het kasteel. En onze Boloog is een kloon,’ mompelde Buck.
In gedachten verzonken knikte Piet verschillende malen.
‘Zit er nog wat anders in dat hoofdkussen?’ vroeg Martine.
Chuck schudde het kussen uit en er viel een rood atoma-schriftje op de grond. Het fotoboek werd opzij geschoven en het schriftje werd geopend. Op de eerste bladzijde stond in grote hanepoten:

Boloog Dubbelnulmans
Dachboek


Aan de opeenvolging van datums te zien was het dagboek al verscheidene jaren oud. Boloog had rudimentair, met een pen, zijn belevenissen, gedachten en gevoelens neergekrast. En met een grote regelmaat. Jarenlang had Boloog dit dagboek bijgehouden. Misschien zelfs was hij al met het dagboek begonnen zodra hij min of meer woorden op papier kon zetten.
‘Zijn levensverhaal,’ zei Martine.
‘Misschien komen we nu nog meer te weten,’ zei Buck.

Boloog had in grote letters geschreven, maar met het krabbelgeschrift van een kind. Dikwijls waren letters en woorden onleesbaar voor Martine en Piet, maar gelukkig konden Buck en Chuck heel goed handschriften ontcijferen.
In het begin had Boloog vooral over al zijn broers geschreven, die er net hetzelfde uitzagen als hij. Soms had hij ook geschreven over iemand anders, iemand die Martine goed kende. De baron. Die man bleek werkelijk de grote leider te zijn. En Boloog had ook nog een zekere Daisy vernoemd.
Alles was niet van een leien dakje gelopen voor Boloog. Hij was de eerste kloon van de zevende reeks, daarom had hij nummer 7.00 gekregen. Maar op het moment dat hij gemaakt werd, was er iets misgegaan met de apparatuur in het lab...

Eerste dach:
Ze zeggen, ikke geen goeie clown. Ikke toch nie helpen kunne da ikke de eerste van de zevende reeks zein? Hun masjienen nie klaar zegge ze en daarom ikke mislukt, zegge ze. Ze laggen met me. Ikke beu.
Al mijn broers er juist uitzien zowals ikke... maar ze laggen met me. Das tog nie lief? Da doen bruurs tog nie? Ze laggen want de Heer zeggen ikke gene goeje clown. Hij alteid zeggen dat alles slegt aan mij. Dat mijn darmen lawaaj maken. Dat ik puisten en kweil. Dat ikke traag. Dat ikke luij. En dom. Waarom ikke slim moeten zijn? Dom nie goe? De Heer van het kasteel maak me uit. Voor mislukte clown. Ikke beu. Heel erg beu. Al lang. Heel veel al te lang. Ikke misgien liefer dood, zowals alle honderden andere mislukte clowns, dood geboren.


Maar blijkbaar bleef hij volhouden, en ging hij uiteindelijk zoals iedereen naar school. Een jaar later schreef hij:

Noch een dach
Morregen examen. Ikke nog veel leren. Scrijven, reekenen, tellen, en dan vooral de toekomst van de wereld. Moeliejek want met alle rare woorden. De infeeders. De eeljens. Ufonoten. Ikke nog veel leren. Heel veel. Misgien ikke slim worden.


En de volgende dag:

Volgende dach:
Examen goe. Nee, nie zo goe, ikke er nie door voor sgrijven en reekenen. Iedereen dagt, ikke gebujsd. Maar ikke zo goed ujtleggen over de eeljens dat ikke toch erdoor. De meester vragen:
Van wie kom het gevaar?
Van de de ufonooten, de buitenaardsen! Zij zein de infeeders!
Waarom zij gefaarluk?
Zij veel slimmer dan wij en zij ons kapot maken!
Wat wij moeten doen?
Wij zij moeten zien als ze komen en dan wij moeten vegten. Wij ze allemaal moeten doodmaken!
Wie dat doen?
Alle Clowns samen!
Waarom clowns niet sterven als de Eeljens komen?
Omdat overal aluumienjum op onze muren en de eeljens kunnen daar nie tegen.
Is het gemakkelek om de eeljens te verslaan?
Nee erg erg meoljiek. Maar de Heer zeggen wat we dan moete doen.
Wie zal voor ons denken, ons redden en de hele wereld redden?
De Heer. De Heer onze redder.
En toen ikke heel luid roepen ‘PREI-IS-DE-HEEEEER!!!’
Ikke zo luid roepen dat ikke denken ze het zelfs op de gang konden horen. En de meester zei dat het heel erg goet was. Ikke nog altij nie weten wat de Heer met prei te maken hebben maar zo in Grote Boek staan.


Enkele maanden later drukte Boloog zich nog altijd op dezelfde manier uit. Hij maakte geen vorderingen meer. Hij schreef nog altijd ‘ikke’ en maakte nog steeds geen gestructureerde zinnen:

Een spesiaale dach:
Ikke al 12 jaar ikke nu groot en mag bij de grote gaan wonen. Lastich. Veel oefenen om goe soldaat te worden. Een twee, een twee. Ikke tot drie kunnen tellen maar da moe nie, tot twee genoeg zijn. Heel de tijd een twee, een twee. Veel lopen en turnen. Een, twee, een, twee. Om als soldaat stappen, in stoet, mooi in rij, zeggen ze: ‘Eerst een been steijf gestrekt hoog gooien, en daarna nog een. Maar bij mij het andere ook al in de lucht voor het eerste terug op de grond. Ikke altijd op mijn gat vallen! Ofwel als ikke nie vallen, mijn voet in gat stampen van die voor mij. En die da nie leuk vinden. En gerenaal ook nie. Ikke mag nie meer meedoen in parade. Maar da nie erg. Ikke liever rondlopen gelijk ikke willen. Gewoon! Geen een twee.

Weer een dach:
In de bomen klimmen, leuk. Webben ook vlot gebouwen en moesten daarmee op de meer. Maar de groep van de zevende reeks, wij, ons vlot nie klaar. Tog op meer gegaan, maar ikke in het water vallen en da was ijskoud, en ikke kannie zwemmen dus ze moesten me eruit halen. De Heer erg kwaad en ikke in mijn natte broek moeten blijven rondlopen. Da nie eerluk want in een andere groep clown 5negenzeven uit boom gevallen en op hem de Heer nie kwaad. Da nie eerluk.
5negenzeven wor nu verzorgd in bed en ikke nu rondlopen met snot in mijn neus van da kout water.


Zo ging het jaar na jaar door. Het bleef heel moeilijk voor Boloog, en Hilaire de Bonnevalle bleef hem maar uitschelden.

De dach na gisteren:
De Heer kwaad da ikke bestaan. Hij zeggen, ‘Had ikke da geweten, had ikke je nie gemaakt. Maar we doen hem nie weg,’ zeggen hij ‘want we zijn nog met te weinig. Hij kan nog dienen. Het is nie veel, maar we moeten doen met wat er is,’ zeggen hij .


Enkele jaren later waren ze blijkbaar nog met te weinig, want Boloog leefde nog steeds:

Noch weer een dach:
De Heer zeggen, geen niewe clowns meer bij. Die die er zijn worren grootgebrag en moeten allemaal heel goe leren vegten voor mama Daisy. Maar geen niewe erbij want 30 clowns genoeg. Want wij nu ook niewe granaten en zware bommen. En wij werken aan hele kragtige bomp. En dan nie meer nodig zoveel clowns. Dus vanaf nu geen niewe clowns nie meer. De butler nie erg blij want hij het origineel en wij zijn clowns en dus wij hem graag zien en de butler altij zeggen, ‘hoe meer clowns hoe liefer’ maar de Heer zeggen,’ nee, nee, stoppen ermee.’


‘Een hele krachtige bom?’ vroeg Buck.
Toen vonden ze tekstjes waar zijzelf direct mee te maken hadden.

Deze dach:
Daisy bos van kasteel te klijn vinden. Kasteelheer campin hiernaast moeten kopen. Hij geld geven aan kampin en madam van kampin dan weggaan. Wij dan groot gebied voor ons alleen. Wij oefenen en niemand iets zien.


De volgende dag:

Weer een dach voorbei:
De Heer vreed kwaad. De madam van kampin nie wegwillen. Vrow het geld van de Heer nie willen. Raar hé, als de Heer mij iets geven ikke altijd aannemen. Zij niet. Dat een rare madam. Ikke ze graag eens zien. Hoe ziet je eruit als je nee zeggen tegen de Heer?


Slechts enkele dagen later begon hij met het verslag van zijn leven op de camping:

Een niewe dach:
Ikke djopke op kampin. Ikke die vrow gezien. Zij heel mooj. Ikke Martien tegen haar mogen zeggen. Ze frieten bakken en altijt goejedag zeggen. Tegen mij zeg zij nie nee, zowals tegen de Heer.

Een andere dach:
Ikke hier in mijne bloten rondlopen en alles zien. En aan de Heer zeggen wat ikke zien. Ze zeggen dat een goeje djop da ikke heb en dat ikke erg mijn best moeten doen maar ikke vind dat een djopke van nikkes. Hier noojt nikkes gebeuren. Geen avontuur. Elke dag hetzelfde. Ja, Martien daar zijn, maar dat geen werk zijn. Geene ene ufoo. Geen eeljen. Ikke denken, de Heer me die djop laten doen omdat ikke dan hier zitten en hij van mij af. Dat ikke denken. Heer denken dat ikke nikkes beters kunnen. En toch ikke moeten elke week vertellen wat er gebeur op de kampin. ‘Je moet alles weten wat er op de kampin gebeurt,’ zeggen de Heer. ‘Want als iets gebeuren waardoor ikke de hand kan leggen op de kampin, ikke dat direct moeten weten.’ Wel duzend keer hij dat zeggen. Maar ikke graag ufonoot vinden en gefnangen nemen, om aan de Heer te beweijzen ikke wel een goede clown!


Nog wat verder konden ze lezen:

Noch een andere dach:
De Heer altijd maar met mij laggen en me uitmaken voor mislukte clown. Ikke echt triestig. Maar ikke graag op kampin. Liefer dan in kasteel. Eigenlijk ikke Martien liefer zien dan de Heer. Zij liev en noojt met me laggen. Wel laggen naar me, heel liev, maar nie uitmaken en petsen. Noojt. En zij mij frieten laten eten en altijd met heel veel majonese op omdat zij weten ikke da graag eten. Martien eigenlijk
veel liefer dan de Heer, maar ja, ikke de Heer dienen. Spijtig.


Martine pinkte glimlachend een traan weg. ‘Arme jongen,’ zuchtte ze.
Ze zag dat ook Chuck een traan verwijderde.
Dan volgde ineens weer iets helemaal anders:

De dach voor morgen:
Morgen verjaardag van de clowns van zeevende reeks. We worren 27. Ikke al greis haar en veel rimpels, maar de Heer zeggen, niets aan te doen, een clown vlug oud en nie lang leven. Das waar. Hij weer geleikke. Ikke hem nie graag zien maar hij altijd geleikke. De anderen ook allumaal greis haar en rimpels. Ikke mooj feest verlangen morgen. Missgien met kadootje. En ze gaan tog nie met me lagen op mijn verjaardag?


De volgende dag:

Mein verjaardach:
Ikke veel geweend. Nie mogen voor een jongen en wenen is voor kinderen zijn maar niemand het gezien want ikke al terug op de kampin. Ikke denken dat leuk zouw zein. Groot feest en leuke groep. Veel taart en ikke denken, vandaag leuk, ikke erbij zijn, bij de groep. Mijn beste broer mij lang omhelzen en knuffelen en ikke heel blij. Maar iedereen laggen met mij en naar mij wijzen met de vinger. Nu ikke weten waarom hij mij zo knuffelen. Hij mijn beste broer een groot papier op mijn rug geplakt.
DUBBELE NUL
EN DAARBIJ GEEN PUNTEN
NIET RECYCLEERBAAR
Ikke nie goe begrijpen, maar het was zeer stout en zij allemaal heel hard laggen. Dan ikke weggelopen en ikke nie weten of er een kadootje zijn. Hij, mijn enige beste broer, hij bijna noojt me mij lagen, en hij mij dat lappen dus ikke heel lang en heel hard en heel zwaar wenen, ikke nie stoppen.
Maar ikke tonen dat ikke geen mislukte clown. Dat ikke een hele goeje. Dat zullen ze zien. Ikke tonen.


Ze draaiden de pagina en kwamen dichter bij de huidige situatie op de camping:

Deze dach:
Ikke blij!!!
Just nu het gebeuren! Just nu ikke echt willen tonen hoe goe ikke zijn, nu het gebeuren! Een eeljen op de kampien en IKKE HEM ONTEKT! Ikke! Clown Dubbelnulmans. De enige echte hele goeje!
Ikke de wereld redden! De Heer doodfier zijn en ikke een even grote foto krijgen als de eerste budler! Zij mij clownen!
Het gink zo: vandaag niewe aangekomen. Laat. Blonde krulenkop met lange aren. Ikke ook in frituur, friet eten. Krulenkop zeggen, hij uit de ruimte komen. Ikke mij versgrikeluk verslikt van de sgrik en gaan lopen, heel ver weg. Maar de eeljens zijn gekomen! Ikke nu toch echt werk. En ikke mijn mes overal meenemen!

Vandach:
Nog veel meer volk op de kampien. Vanuit vele landen. Buk en Tsjuk. En nog veel, veel meer. Ikke het allemaal nie onthouwen. En Raar en Ziem, in niewe karrevan. Geen wielen. En ook geen vensters. Dat slim. Ikke denken dat die niewe ook bang zijn voor eeljen want ikke mijn vensters ook nooj opendoen. Ikke ze medailjon geven om ze helpen. Zij mij dan misgien zeggen als zij blonde krulenkop eeljen zien.
Ook Piet niew, die helpen in frituur. Piet helemaal kaal. Niet als ik. Ikke aar op mijn borst. Piet niet. Ikke veel aar onder mijn oskels. Piet niet. Ikke heel veel aar tussen mijn benen. Piet niet. Hij helemaal kaal maar hij goed want veel majonese geven. En Flasj ook komen, dikkewuls.

De dach na gisteren:
Al de niewe lopen allemaal rond met een foto in hun hand, zij zoeken ook blonde eeljen. En ikke ook foto gekregen, van Pajanners. Hij dus zeker heel groot gevaar. Zij dat ook weten.
Ikke eeljen met blonde krulen zoeken. Ikke alles volgen. Bij de doesjen, op de weide, bij zwembad. Ikke mijn best doen dat ikke er nie invallen want bad zeer diep. Ikke nu dus toch echt werk. Dat goed.
Ikke de eeljen de eerste moeten terugvinden. En dan zelf doodmaken. Ikke hele goeie clown. Ikke alteid en overal mijn mes meenemen.

Mein laatste dach:
Vanagt, ikke in de bos, in mijn fort. Daar ikke alle sterren en de hele hemel zien en als er een ufo komt ikke hem zien. Dan plots allemaal mannen in de bos. Kotelieten, koteletten? Kotalieken? Ook nog andere. Lamme ieten? En twee rappis. Van in mijn fort ikke alles horen en zij mij nie kunnen zien en ikke die andere herkennen. PIET. De mannen zeiden dat Piet alles moeten zeggen en toen hij toegeven dat hij de eeljen zijn en hij van een andere planeet komen en hij alles vertellen van zijn planeet! EGT WAAR. Toen daarna de mannen gaan lopen voor Piet. Zij bang. Maar ikke nie bang! Dus ikke nu heel blij. Ikke nu echt helpen. Ikke de wereld redden. Niet de Heer, en niet de andere mannen van de kampin en van kasteel, maar ikke! Ikke een held worren!
Piet dood moeten. Ikke hem doden. Ikke een revolfer in de karrevan en ikke Piet doodschieten. Als hij in de frituur, hij geen tijd om weglopen want hij staan agter toog. Dan ikke staan bij de deur en ikke schieten.
Als dat mislukken dan ikke de granaat gooien. Dan de hele frituur ontploffen – BOEM! En Piet uiteen spatten in duzen stukken en overal bloed. Zware granaat, zeg de Heer, dus ikke denk ikke mee ontploffen.
Koewiek! Dat een opploffering of zoiets. Ikke dood maar al de goeije mensen blijven leven. Maar dat ikke dood geef niet zoveel want ikke een clown, ikke tog nie lang leven dus ikke evengoe nu doodgaan. En de Heer me nie missen, hij liefer dat ikke dood. Oojt hij me misgien weleens doodmaken als ikke nie doodgaan. Als ikke dood hij denken aan mij en ikke de held. Das heel goe!
Wel eel spijtig voor Martien maar zij ook doodgaan want Piet noojt alleen in frituur. Ikke haar graag zien. Zij ook altijd lief met mij. Maar ikke de hele wereld redden. En ikke nie denken aan mij en aan Martien.
Ikke een goeie daad doen. Een goeje dood. Goeje dood door goeje daad. Hihi. Ikke een gedigt gemaak. Zie je wel ikke slim! Ze mogen het onder mein foto zetten.


Buck draaide de bladzijde en op de achterkant stond

Kloon Dubbelnulmans
Goeije Dood Door Goeije Daad
Eijnde


‘Wat die allemaal doorgemaakt heeft, arme jongen,’ zei Martine.
‘Poor chap,’ zei Buck.
Chuck staarde voor zich uit. Hij had zich in het verhaal kunnen inleven. Hij voelde zich ook een soort Kloon7onbenul. Als Mexicaanse migranten in Texas werden hij en Buck door de meesten mensen voortdurend aanzien als uitschot, mislukkelingen die probeerden te profiteren van de rijkdom die door anderen was gerealiseerd. Zij ook werden geparkeerd op een nutteloos jobke omdat de bazen vonden dat ze niet deugden voor iets beters. Over zoiets konden Buck en Chuck dagenlang meepraten en vooral, meevoelen.

Piet zat al verder met zijn gedachten. ‘Ik zou dat kasteel graag eens van naderbij bekijken. Als het verhaal van Boloog klopt dan heeft die baron van zijn domein een militair exercitieterrein gemaakt. Blijkbaar is hij erin geslaagd om mensen te klonen, en als hij daarbij nog aan een zware bom gewerkt heeft... Hijzelf lijkt bijlange niet zo idioot als de klonen die hij heeft voortgebracht.’
‘Dat voorspelt niet veel goeds. Hij zou heel wat zware wapens in zijn bezit kunnen hebben,’ knikte Chuck.
Het werd stil in de caravan.
‘We moeten dus een huiszoeking ondernemen in het kasteel.’ De stand van Martines ogen, gedraaid naar rechtsboven, verraadde dat zij al aan het onderzoeken was hoe ze deze opdracht konden vervullen.
Buck probeerde zijn ervaring van geheim agent te laten meespelen maar geraakte niet verder dan: ‘Het zal niet eenvoudig zijn. Hilaire de Bonnevalle is altijd in zijn kazerne en wordt stevig bewaakt door zijn Bologen.’
Ze besloten dat het tijd was om nieuwe krachten op te doen.
Gezamenlijk begaven ze zich naar de frituur, waar het bord ‘even gesloten’ hen de rust en kalmte verzekerde die ze nu nodig hadden.


(wordt vervolgd)



Op deze website kan je het volledige boek lezen.
De gedrukte versie van Camping Martinatuur kan besteld worden door me te contacteren op mijn emailadres.
Alle info met de nodige links vind je op mijn website, www.manonsite.eu.

Camping Martinatuur
Copyright 2008 Manon
manon@skynet.be
www.manonsite.eu
Omslag: Kaisan
ISBN: 9789079457014
NUR: 300
Vertaald naar het Frans onder de titel: ‘Camping Martinature’

Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens