zaterdag 21 april 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Manon - De pot op! (6/12) - thriller
Gepubliceerd op: 14-02-2012 Aantal woorden: 1228
Laatste wijziging: 14-02-2012 Aantal views: 1532
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

De pot op! (6/12) - thriller

Manon



(Toen André weg was, heeft Serge zijn zetel in de keuken geïnstalleerd. Maar opdat die keuken echt zijn eigen hoekje zou worden, heeft hij ook deel twee van zijn plan geactiveerd...)


Een kort moment vroeg André zich af of hij wel de juiste deur was binnengegaan. Als iets kleins niet op zijn plaats stond merkte hij het niet meteen op, maar nu was er zoveel veranderd dat hij de woonkamer nauwelijks herkende. De muren leken schuin te staan, de vloer bewoog onder zijn voeten en het plafond deed zo vreemd. Geleidelijk besefte André dat hij wel degelijk thuis was. De muffe geur was dezelfde, en de sombere duisternis ook. Muren en plafond namen hun gebruikelijke posities weer in.
Maar waar stond de zetel van Serge? Op die plaats was een gat. Ook het kleine ladenkastje was verdwenen. Opgelost, in niets.
In een korte flits vroeg André zich af of de dokter vandaag geweest was. Er was toch geen afspraak gemaakt? Was Serge onwel geworden, had hij de dokter gebeld? Had hij hem de zetel geschonken? En de kast?
Dan zag hij het. Voorbij de eetkamer. In de keuken. Waar vroeger de bloempotten stonden. Met de hoofdsteun tegen het aanrecht stond hij daar: de zetel. En daarnaast, het kastje.
André begreep het. Serge had zich nog meer teruggetrokken in zijn eigen wereld. Hij had er nu zijn zetel en zijn kastje geplaatst zodat hij zelfs niet meer de keuken hoefde te verlaten als hij wat wilde rusten. André begon te duizelen bij de idee. De paranoïa van zijn broer werd wel heel erg. Nog even en hij werd helemaal krankzinnig en moest naar een instelling.
Trouwens, waar was hij?
Niet in zijn keuken.
Ook niet boven, op het toilet.
Waar dan wel?

Door het raam van de eetkamer merkte André zijn broer op. Hij zat gehurkt op het terras. Naast hem stond een bordje. Een zwarte poes was aan het eten en liet zich gewillig door hem aaien.
Sprakeloos sloeg André het toneeltje gade.
Zijn broer, zo bang van alle mensen en van de buitenwereld, sloot vriendschap met een poes. Wat was dat toch met Serge de laatste tijd? Eerst maakte hij een afspraak met de dokter, die zijn pillen thuisbezorgde, dan verplaatste hij zijn meubels, nu streelde hij verdorie een poes!
Serge nam de hele tijd initiatieven.
Zonder hem iets te vragen.
Waar bleef hij in dat hele gebeuren?
Even later kwam Serge de keuken binnen. Zijn ogen tintelden. Zijn grote lijf wiebelde van de pret. ‘André. Hallo. Ik heb erover nagedacht hoe ik de keuken zou kunnen uitbreiden.’
André haalde minachtend zijn schouders op. ‘Ja. Jaja. Dat... ik heb het wel gezien. Je zetel die daar staat.’
Serge knikte, zichtbaar tevreden met de verandering die hij had aangebracht. Maar André vond het beneden zijn waardigheid om erover te beginnen. Hij negeerde het totaal. Alsof de meubels niet bestonden. ‘Die poes...’ vroeg hij. ‘Wat deed die daar?’
Serge leek wel dronken van geluk en ging verder in zijn roes. ‘Het is niet alleen de zetel. Het zal nog véél verder gaan. Ik wil ook een wc laten installeren in de keuken.’
‘Jaja... jaja... een wc in de keuken. Doe niet zo raar. Maar wat is dat met die poes? Jij hebt niets te maken met die poes.’
‘Heu?’ vroeg Serge, verward.
‘Wat deed je bij die poes?’
‘O, de poes. Ze is zo mager. Ze zou van de honger kunnen omkomen. Ik heb haar wat te eten gegeven.’ Er klonk een zweem van trots in de stem van Serge. Hij had dit durven doen. En er was niets vreselijks gebeurd! De poes had hem niet aangevallen. Ze was niet tegen hem opgesprongen om met haar scherpe klauwen het vel van zijn lijf te krabben. Ze was juist heel dicht tegen hem aan gekomen, uit vriendschap. Uit liefde. Ze had zich laten aanraken.
‘De tuin is van ons allebei. Die poes heeft hier niets te zoeken.’
‘Ze had honger,’ zei Serge.
‘Ze zal wel ergens aan eten komen. Zo zijn poezen. Ze vinden altijd wel ergens eten.’
‘Toen ik haar wat te eten gaf, heeft ze meteen alles opgeslokt. Had ik niets gegeven dan zou ze misschien gestorven zijn van de honger.’
‘Zij heeft dat niet nodig. Ze zal zich alleen wel redden. Poezen zijn tot zeer veel in staat. Ze brengen de winters buiten door, in de kou. Ze vinden altijd wat. Ze weten waar ze het kunnen vinden, waar ze warm kunnen blijven. Jij mag die poes niet verwennen, anders blijft ze bij je.’
‘Jij bent gewoon jaloers!’ barstte Serge los. ‘Omdat ik die poes gestreeld heb. Omdat ik haar graag zie. En liefde krijg van haar! Dat is het!’
André kleurde vuurrood. ‘Néééé. Dat is het niet. Een poes is vuil. Ze kan de bloemenperken stukmaken. De aarde omwoelen. Ze jaagt op vogeltjes. Ik doe hier alles! Ik zorg zo goed voor alles, en ik zeg: die poes past hier niet. Je mag haar niet aantrekken door eten te geven, anders raken we haar nooit meer kwijt. Je moet vanaf nu duidelijk tonen dat je haar niet moet. Geen eten meer geven. Niet strelen. Dan weet ze waar ze zich aan moet houden en zal ze ergens anders haar voeding vinden. Dan laat ze ons met rust!’
André merkte dat hij opnieuw de controle kreeg over het gebeuren in huis. Zo hoorde het, vond hij. Hij was de enige die ervoor kon zorgen dat alles vlot liep. Daar deed hij zoveel voor. Serge mocht hem wel wat dankbaarheid betonen. En meehelpen. Het moest uit zijn met die belachelijke, zelfstandige initiatieven die hij de laatste tijd was beginnen nemen.
André moest zich zelfzeker opstellen.
Autoritair.
Dan zou alles goedkomen.

Serge glimlachte. ‘Het is de poes die me op het idee heeft gebracht,’ zei hij. ‘Van die wc in de keuken. Zoals zij haar behoefte kan doen, waar ze wil, wanneer ze wil... dat wil ik ook.’
‘Jaja,’ zei André, schouderophalend. ‘Je hebt al een pispot, dat is genoeg.’ Hij bedacht nog maar eens hoe zwaar ziek zijn broer was. Wat er allemaal in zijn hoofd omging!
‘Terwijl je weg was heb ik de loodgieter gebeld,’ vervolgde Serge. ‘Straks komt hij kijken of het kan.’
De verwarde blik in de ogen van André keerde terug. Voor één keer drukte hij zich heel beknopt uit: ‘Waàt?!!!’
‘Hij komt na zeven uur,’ vervolgde Serge.
‘Je mee... je mee... je méént het???’
‘Absoluut. Een wc in de keuken. Het zou fantastisch zijn.’
‘Dat... dat… dat kan niet! Dat is... niet hygiënisch! Stel je voor dat je zit te kakken naast het bord waarop je avondmaal staat. Je zou de papieren van de wc-rol en die van de keukeukenrol met elkaar kunnen verwarren! Je bent niet goed snik. Het kan niet. Niet. Niet. Niet in mijn keuken!’
‘Het is niet jouw keuken,’ zei Serge. ‘Het is mijn keuken!’
‘Niet waar! Jij loopt erin rond, jij sluit je daarin op, omdat je kiest om dat te doen. Maar eigenlijk is het mijn keuken!’
‘Ik ben het die kookt.’
‘Ik doe hier alles, ik zorg voor alles, jij bent ziek en zonder mij kun jij niet leven! Dus beslis ik wat er gebeurt in de keuken!’


(wordt vervolgd)

Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens