zondag 15 juli 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Manon - Manon - Camping Martinatuur (16/33)
Gepubliceerd op: 09-02-2012 Aantal woorden: 4108
Laatste wijziging: 27-07-2015 Aantal views: 1270
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Manon - Camping Martinatuur (16/33)

Manon


(Piet heeft religieuzen verteld over leven op de planeet waar hij zogezegd van afkomstig is. Goedgelovig als ze zijn, hebben de fundamentalisten hem geloofd. Maar ook Boloog heeft de woorden van Piet gehoord, en ernstig genomen. Héél ernstig.)


Piet knipperde met zijn ogen en ontwaakte langzaam. Hij lag niet in zijn slaapzak, niet onder de beschutting van een tentzeil, maar onder de beschutting van verschillende bomen, in een uitgestrekt, weids natuurdomein. De lucht op zijn naakte lijf voelde fris aan. Boven zijn hoofd vervaagden de sterren en het duister van de nacht verdween uit het meer om plaats te maken voor het roze en gele van de ochtendwolken.
Hij sloeg zijn armen om zijn knieën en ging rechtop zitten. Dromerig staarde hij naar het grote, rimpelloze wateroppervlak. Er blies een koele wind, en terwijl hij daar zat te kijken en te rillen met opgetrokken benen herinnerde hij zich fragmenten van de vorige avond. Het duurde even voor Piet alle puzzelstukjes opnieuw bij elkaar had, voor hij de gekte van het hele gebeuren weer voor zich zag.

De ondervraging door die waanzinnigen – het was echt gebeurd, hun voetsporen waren nog zichtbaar in het grind. Piet keek om zich heen en vroeg zich af wie de volgende zouden zijn. Brahmanen, marxistische ideologen, fascistische ideologen? Als ze allemaal tegelijk zouden opduiken, zou hij misschien nog een ticketverdeler met volgnummertjes moeten installeren, zodat ze elk hun beurt konden afwachten voor een gesprek.
Piet stond op, schudde de verkramping uit zijn spieren, plooide zijn handdoek op en keerde het meer de rug toe. Omdat hij bloot was, besloot hij de kortste weg terug te nemen, door het domein van de baron. De avond voordien had hij de grote omweg wel gemaakt. Helemaal in zijn blootje was hij door het gehucht gelopen. Hij vroeg zich af of iemand hem gezien had.

Er was al genoeg licht van de aanbrekende dag om de weg te vinden in het bos. Gelukkig maar, want de batterijen van zijn zaklamp waren leeggelopen.
Op de steile boswegen naar de top van de helling moest Piet zich af en toe vastklampen aan boomstammen en boomwortels, of zelfs op handen en voeten kruipen over de ondergrond van rotsen, keien, struiken en aarde. Op een overhangende rots kon hij even uitrusten en genieten van het indrukwekkende, panoramische uitzicht. Ergens diep beneden, dicht bij de plaats waar hij de nacht had doorgebracht, zag Piet een speelfort, waarschijnlijk opgetrokken door kinderen. Een constructie van stenen, keien, takken en bladeren.

Piet wist niet dat het fort door Boloog was opgetrokken, en dat Boloog van daaruit het hele nachtelijke gebeuren had gadegeslagen. Daarna was hij in een diepe slaap weggezonken. Maar niet voor lang.
Hij was in paniek weer wakker geworden, en de hele verdere nacht had hij de slapende Piet in het oog gehouden – doodsbang om ontdekt te worden door die alien en tegelijk vastberaden om de buitenaardse Piet niet te laten ontsnappen.
En hij had nog meer gedaan. Hij had nagedacht! Alleen daarom was hij al reuzetrots. Dat hij dat kon! Hij had nagedacht over een zeer moeilijke keuze. Zou hij naar de kasteelheer gaan, de baron, en alles vertellen, of zou hij helemaal niks vertellen, en zelf, eigenhandig, Piet uit de weg ruimen?
Vervolgens had hij, zelfstandig, de zeer zware beslissing genomen.
Een beslissing die hem het leven kon kosten. Hij zou niét naar de heer baron gaan en alles vertellen. Nee, hij zou de heldendaad zelf stellen, hij zou zelf Piet vermoorden. Het kon mislukken, en dan ging hij eraan. Maar wat deed dat ertoe. Het leven had hem toch niets te bieden. Alleen de vernederingen van de baron. Maar als het lukte, dan zou alle eer aan hem zijn!

Piet liet het fort en het uitgestrekte panorama voor wat ze waren. Hij ging naar de richel boven de rotswand waar een heerlijke, avontuurlijke wandeling vertrok, met hoge rotswanden aan de ene kant, een diepe helling aan de andere kant, en op de weg, uitstekende rotspunten, gevallen boomstammen en de dikke wortels van bomen die besloten hadden hier op de richel te groeien. Constant veegde Piet de draden van spinnenwebben van zijn blote vel. Hij genoot van de vogels die uit volle borst het feest van de nieuwe ochtend bezongen. Het kortgestuikte wezen uit het fort volgde hem op veilige afstand en zorgde ervoor dat hij steeds verborgen bleef achter grote rotsen en struikgewas.
Dan kwam de grens met de camping in zicht. De Grieken hadden hun werk bijzonder goed verricht. Ze hadden de elektrische omheining niet doorgeknipt met hun tang, maar met houten takken en boomstammen hadden ze de gevaarlijke omheining over tientallen meters in de hoogte gemonteerd. Voortaan kon je er onderdoor lopen, als door een verwelkomende poort. Slim van die Grieken, want de draad doorknippen zou misschien een alarmsignaal activeren in het kasteel. Nu liep de stroom gewoon door en de kasteelheer wist niets.

Zodra Piet op de kampeerweide kwam, herkende hij het vertrouwde silhouet van zijn tent. Zijn bouwwerk met stokken, staven en zeil – een ingenieuze constructie, vond hij.
Toch was er iets vreemds mee.
Er was licht in de tent.
Had hij er een brandende zaklamp in achtergelaten? Of, erger, had hij het gasbrandertje laten aanstaan? Hij rende zo vlug als hij kon.

oOo


Zo mogelijk nog sneller rende Boloog naar zijn caravan. Hij liep de drie treden op, opende de deur, ging naar binnen en sloot de deur af met alle grendels en kettingen die hij had geïnstalleerd. Bibberend en hijgend viel hij neer op de matras op de grond. In een poging om de waarheid te laten doordringen herhaalde hij steeds weer dezelfde woorden. ‘Ikke alien gevonden... ikke buitenaardse gevonden... ikke buitenaardse gevonden...’
Boloog greep naar een bierblikje naast de matras, nog halfvol, van de vorige dag, en dronk het leeg in één grote teug.
‘Ikke hier veilig. Ikke hier veilig. In caravan. Veilig. Veilig. Met aluminimifolie. Veilig.’
Hij kon gerust zijn. Geen spleetje licht drong binnen in zijn woning. Dus was er ook niemand die hem kon bespieden. Niemand die door het raam naar binnen kon kijken en hem recht in zijn bolle ogen treffen. Zelfs de alien niet! Hier kon hij zijn plan rustig voorbereiden.
Eerst dacht hij aan Martine. Dan aan de kasteelheer die hem altijd uitlachte, en dan weer aan Martine die altijd zo lief was voor hem.
Glimlachend. Begrijpend.
‘En zij van niks weten!’ dacht Boloog. ‘Zij niet weten dat Piet buitenaardse met blonde lokken, maar afgeschoren... Zij van niks weten! Ikke haar redden! Ikke moét! Ikke moét Piet doden en daardoor haar redden. Ikke moét. MOET haar redden!!! En wereld redden!!!’

oOo


Hoe dichter hij bij zijn tent kwam, hoe verbaasder Piet werd. De omgeving lag bezaaid met slapende individuen. Vlak voor de ingang van zijn tent lagen al zijn spullen op een grote hoop. Tandpasta, stripverhalen, haarlokken. Verbluft stond hij te kijken.
Twee lachende figuren kropen uit een van de nabije tenten. Buck en Chuck.
Buck zag de verbijsterde uitdrukking op het gezicht van Piet. ‘Ze hebben je tent doorzocht. Ze zochten de foto’s,’ legde hij uit.
Piet keek hem aan met grote ogen – niet zo groot als die van Boloog, maar toch ook rond en groot. ‘De foto’s?’ echode hij. In zijn achterhoofd had Piet met de idee gespeeld dat al deze mannen dronkelappen waren die de weg naar hun eigen tent niet teruggevonden hadden. En nu kwam Buck aandraven met een verhaal over foto’s.
Buck liet zijn blik gaan over de luid snurkende lichamen. ‘Denk maar niet dat zij verloren gelopen fuifnummers zijn. Ze zijn geheime agenten uit allemaal verschillende landen. Net als Chuck en ik, overigens. Ook wij zijn een tijdlang op zoek geweest naar jouw foto’s. Ons ministerie van Defensie meent te weten dat er ergens buitenaardsen geland zijn. De enige mogelijkheid om te achterhalen waar, ligt in de foto’s die jij hebt laten maken toen je bij ESA werkte. En die je hebt meegenomen toen je daar vertrokken bent.’
‘De foto’s…’ mompelde Piet. En plots verschenen ze voor zijn ogen. De foto’s. Zijn foto’s! Hij was ze vergeten in de frituur. Sommige hingen aan de wand, bijgekleurd met mayonaise en ketchup.
Niemand had er iets van gemerkt.
Wat een reuzemop!

Buck kwam naast Piet staan en vertelde over de actie met het slaapgas die compleet de mist ingegaan was en daardoor was uitgegroeid tot een lachwekkend evenement.
Erg verwonderd was Piet niet. De zes mannen aan het meer hadden het ook over foto’s gehad (al hadden ze hun zoektocht gestaakt omdat ze ervan overtuigd waren dat Piet de alien was). Het was logisch dat bijna de voltallige bevolking van de camping op zoek was naar de foto’s van een landende ufo.
‘Bij Chuck en mij begint dat hele onderzoek stilaan meer dan onze strot uit te komen,’ vervolgde Buck. ‘Waarom moeten we ons met iets dergelijks bezighouden? Zoeken naar een zogezegd ruimtetuig op een foto. Wie gelooft er nu in buitenaardsen?! Enkele leeghoofden van Defensie vinden het blijkbaar belangrijk genoeg om ons daarop te zetten. Misschien voelen ze zich bedreigd door een macht die groter zou kunnen zijn dan die waartoe zij behoren. Een begrijpelijke angst, want als buitenaardsen hier geraken staan die technologisch lichtjaren verder dan wij. En als ze een even slecht karakter hebben als wij gebruiken zij die capaciteiten om anderen te onderwerpen en maken wij geen schijn van kans. Maar goed. Wat Chuck en mij betreft is het over. Finished. We hebben er meer dan onze buik van vol.’

Piet luisterde glimlachend. Die mannenkoppels op de naturistencamping waren dus niet afkomstig van een internationale homoclub, maar bestonden uit geheime agenten van verschillende nationaliteiten. En blijkbaar waren ze niet van de slimste. Het zou nog lang duren eer ze zouden vermoeden dat Râar en Zhîm ufonauten waren, en dat hun caravan in werkelijkheid een ruimtetuig was.
Sukkels.
Eigenlijk wisten ze niets.

oOo


Hij wist alles.
Zijn officiële naam was Dubbelnulmans. Boloog voor de vrienden.
Hij wist alles.
De kasteelheer zou moeten toegeven dat hij geen mislukte clown was. Boloog zou de mensheid redden. Hij zou Martine redden, en de hele wereld. In zijn caravan, zorgvuldig afgedekt met aluminiumfolie, bereidde hij zijn heldendaad voor. Zijn fantasieën bezorgden hem duidelijk genot.
‘Ikke naar frituur gaan en zijn kop eraf snijden! Zijn armen ikke ook afsnijden! En zijn benen! Ikke alles afsnijden!’
In zijn handen draaide Boloog het slagersmes om en om.
‘Martine blij zijn. Zij niet zoals kasteelheer. Als zij horen dat Piet alien, zij in mijn armen vallen! Zij mij omhelzen!!!!!’
De toekomst zag er opwindend uit, vol van eeuwige roem en liefde in de armen van de enige vrouw van de planeet. Van de kosmos. Boloog sloeg tilt van blijheid.
Maar Piet was niet de eerste de beste. En zelfs al had Boloog niet veel hersencellen, dit besef drong door.
Piet was slim. Piet was sterk. Als Boloog hem aanviel met een mes, zou Piet zeker terugvechten. En Piet zou best weleens kunnen winnen.
‘Mijn mes nie goe genoeg... mijn mes... nie goe genoeg... Wa ikke doen? Ikke nie weet wa doen! Ikke nie weet wa doen! Ikke nie wee wat doen!’
Het mes viel uit Boloogs handen en kwam terecht naast het lege bierblikje op de matras.

oOo


Piet observeerde de langzaam ontwakende figuren op het gras. Ze gluurden naar hem met halfopen ogen, onzeker, als echte zatlappen die verbaasd wakker worden op een voor hen onbekende plek en met een kater in hun lijf.
‘Stelletje prutsers!’ riep Piet.
Allemaal knepen ze hun ogen stijf dicht. De stem van Piet galmde pijnlijk luid door hun hoofden. Dat ontging Piet niet. Nog iets luider riep hij: ‘Je moest je schamen! Je krijgt de opdracht om iemand ongemerkt te schaduwen, en je ligt in het gras naast zijn tent te maffen! Je moet die tent doorzoeken en je laat je vangen door de eerste de beste die de ruimte met N2O bewerkt – iets wat nooit kan lukken in een tent waaraan meer openingen zitten dan zeil! En het toppunt, jullie zoeken foto’s die al een hele tijd gewoon onder jullie neus hangen! Stomme agenten van het zevenendertigste knoopsgat!!!’
Sommige mannen tastten instinctief, op zoek naar het zevenendertigste knoopsgat op hun blote lijf. Anderen wreven automatisch aan hun neus om te voelen of er foto’s aan hingen.

De domme, ijle, wazige gelaatsuitdrukkingen zetten Piet ertoe aan om de spionnen helemaal de grond in te boren. Met een harde trek om zijn mond - die nacht van de kerkleiders geleerd - spreidde hij zijn beide armen breed en wijd naar de hemel - eveneens van de kerkleiders geleerd - terwijl hij declameerde: ‘Denken jullie nu echt dat als er van daarboven een ongekend ruimtetuig zou neerdalen, het zo onopvallend zou kunnen landen dat niemand het zou opmerken? Geloven jullie echt dat er aliens bestaan die zomaar neerstrijken op deze bol? En hoe moeten we ze ons dan voorstellen? Groene mannetjes met mauve voelsprieten? Doe toch niet zo dom! Op de foto’s die jullie zoeken staat helemaal geen ufo! Alleen onze moeder Aarde is erop te zien, in alle kleuren en geuren, en dat is het enige. Ufo’s zijn beschimmelde hersenschimmen van mensen die teveel fantasie en te weinig hersencellen hebben. Ik zal jullie die foto’s tonen. Dan kan je het met je eigen ogen zien: niks te ufo’s, niks te vreemde mannetjes, niks te stralende aura’s! Als je de foto’s wil bekijken, kom dan maar mee! - als je op je benen kan staan, tenminste!’
Ineens staarden de mannen Piet iets wakkerder en geïnteresseerder aan. Die was erg kwaad, hij stak zijn wijsvinger omhoog en riep: ‘Voorwaar, voorwaar, ik zal jullie de foto’s tonen, maar op één voorwaarde: je moet ze laten hangen waar ze zijn. Ik heb ze aan Martine gegeven en ze blijven van Martine per omnia seculorum. Gegeven is gegeven, punt uit. Amen.’

oOo


‘Ikke nie weet wat doen... ikke nie weet wat doen... mijn mes nie goe genoeg... ikke iets anders pakken....’
In paniek keek Boloog rond in zijn caravan. Hij wist waar hij naar op zoek was. Hij besefte heel goed wat er lag in die lade, onder het aanrecht. Zou hij zover gaan? Zou hij hem nemen? Die... die revolver?
‘Ikke nie goe mikken... ikke teveel bibberen. Maar met het mes nooit lukken. En het moet. Ikke Martine redden. Ikke de wereld redden. Ikke moeten mikken en niet bibberen.’
Weifelend begaf Boloog zich naar de lade. Hij bibberde nu al zo hard dat hij er niet eens in slaagde om hem fatsoenlijk te openen.
‘Ikke moeten mikken. Niet bibberen. Ikke denken aan Martine en aan de hele wereld. Ikke heel goe mikken. Voor Martine. Voor haar. Ikke ogen goe toeknijpen en daardoor heel goe zien. Nie bibberen. En trekken. Aan trekker.’
Het lukte. Het voorste deel van de schuif brak af en kwam terecht op zijn voeten. In de opening verscheen het moordtuig. Boloog greep de revolver met zijn rechterhand en hield hem in de juiste positie, vinger rond de trekker. De revolver was een moordwapen en hiermee kon Piet doodgemaakt worden. Boloog voelde het in zijn bloed. Dat gevoel van Piet te doden. Die alien zien ineenstorten en sterven, voor zijn ogen. Het voelde nu al goed aan.

Maar toch... Piet was een alien. Boloog kon niet voorzien over welke geheimzinnige krachten hij allemaal beschikte. Als Boloog bleef bibberen... als hij slecht mikte...
‘Als ikke slecht mikken... Dan te laat. Dan weet Piet. Dan met mij gedaan. En ook met Martine.’
De revolver was goed, maar niet goed genoeg.
Boloog had een noodplan nodig.

oOo


Geknik en gemompel. De spionnen probeerden recht te komen. Na een hele nacht te hebben doorgebracht in de kou, op klam gras, hadden ze daar verschillende pogingen voor nodig. Kreunend volgden de stramme, kreupele lijven Piet naar de frituur.
Helemaal achteraan liep de kortgestuikte met zijn bologen. Hij had alle moeite om zijn woedende knorren te bedwingen. Boloog wist immers wie Piet was.
Zoals iedereen liep Boloog in zijn blootje. Hij hield zijn armen stijf tegen zijn lichaam aangedrukt. Onder zijn linkeroksel hield hij de revolver geklemd. En hij had nog iets bij zich. Iets dat deel uitmaakte van zijn noodplan. Een verschrikkelijk kostbaar item dat hij onder zijn rechteroksel geklemd hield. Een kleinood dat hij slechts mocht gebruiken als er een alarmsignaal kwam van de kasteelheer. Hij had er slechts één exemplaar van.
Onder zijn rechteroksel droeg Boloog de Heilige Handgranaat.
Piet moest dood.
En hij, Dubbelnulmans, werd de held.
Martine zou hem voor eeuwig dankbaar zijn. Ze zou zo blij zijn dat ze met hem zou trouwen.

oOo


In de frituur maakte Piet een zwierig gebaar naar de foto’s achter de toog. ‘Hier hangen ze al de hele tijd, speurneuzen. Je zit er bij klaarlichte dag de hele tijd met je neus op, en je ziet ze niet eens!’
De spionnen reageerden eerst alsof ze niet konden geloven dat dit de gezochte foto’s waren. Hun blikken gleden nog steeds af naar de naakte lijven op de posters ernaast. Die beelden waren veel interessanter. Vrolijke gezichten van mama’s, papa’s en kinderen die in hun blootje speelden onder een stralende zon. Net als de foto’s uit de ruimte hingen die posters vol mayonaise, chilisaus, samurai-saus, en zat er her en der een laagje frietvet op.
Piet bekeek zijn publiek en wees een foto aan. ‘Zien jullie hier een ufo op? Ik niet. Ik zie de Aarde, met bossen, wegen, stromen. En op deze foto hier kan je zelfs de camping waarnemen. Als iemand van jullie me er één ufootje, één kleintje maar, op kan aanwijzen, roep ik hem meteen uit tot de grootste helderziende aller tijden.’

De geheime agenten knepen hun ogen tot spleetjes, alsof ze de foto’s met een professionele blik bestudeerden. Dat was echter niet hun bedoeling. Hun ogen waren toegeknepen omdat het licht van de opkomende zon hun bonkende hoofdpijn vergrootte.
Piet maakte zich geen zorgen. Hij wist dat de enkele lichtvlekjes, veroorzaakt door ruimtetuig Khasrol13, bedolven waren onder de mayonaise. En zelfs zonder mayonaise zou het bijna niet mogelijk zijn om die minuscule lichtpuntjes te associëren met de caravan van Zhîm en Râar. Hij ging door. ‘Wat op de foto’s te zien is heeft dus geen enkel belang voor jullie opdracht. Jullie missie zit erop. Ita missa est. Gedaan, afgelopen. Jullie kunnen terug naar huis!’
Deze keer keken de mannen ongerust.
Piet begreep het. ‘Misschien vinden jullie het hier wel fijn... en wil je het de thuisbasis betaald zetten dat ze je voor deze gekke klus hebben laten opdraaien? Dan kan ik jullie maar één goede raad geven: speld je chefs wat op de mouw en blijf zolang je kan.’ ‘En vul de kassa van Martine,’ dacht hij erbij. ‘Je kan genieten van een vakantie op het domein van camping Martinatuur. Een lange, grote, heerlijke vakantie, in adamskostuum.’
In het licht van de ochtendzon verscheen bij de geheime agenten een ontspannen glimlach op hun gelaat. Het vooruitzicht van enkele dagen, weken, maanden vakantie beviel hen zeer.

Achterin de frituur stond de kleine, kortgestuikte figuur. Hij zag hoe al de spionnen de woorden van Piet slikten als zoete koek, alsof die hun heer was. Boloog liet zich niet misleiden door de toespraak.
De afgelopen nacht, in zijn fort, had hij volslagen andere dingen gehoord. In werkelijkheid speelde Piet een spelletje. Hij was een vuile buitenaardse.
Hij moest dood.

Met zijn rechterhand greep Boloog onder zijn linkeroksel. In een oogwenk had hij zijn vinger rond de trekker. ‘Piet buitenaards. Piet smerige alien. Ikke schieten. Ikke Martine redden. Ikke de wereld redden. Ikke schieten.’ Boloog begon te bibberen. Hij hield Piet scherp in het vizier van zijn bolle ogen.
Iedereen week verschrikt achteruit.
Boloog schoot.
De zevenderangsspionnen doken weg onder de tafels.
Boloog schoot nog eens. En nog eens.
Tijdens het schieten hield Boloog zijn ogen helemaal dichtgeknepen.
Toen hij ze weer opende, zag hij niemand meer.
De weggedoken geheime agenten hadden instinctief het aantal schoten geteld en wisten dus dat zijn lader leeggeschoten was. Met een grijnzende lach kwamen ze van onder de tafels tevoorschijn. Piet verscheen van achter een kast.
Piet was niet dood.
Boloog greep naar de granaat onder zijn rechteroksel. Voordat hij als een volleerde Rambo de pin tussen zijn tanden stak schreeuwde hij nog een boodschap naar Martine. ‘Wij ons opfopperen voor de wereld! Piet moet dood. Ikke mee doodgaan. En jij ook Martine. Helaas! Ik hou van jou!!!’
Hij stak de pin tussen zijn tanden en trok. Een hele resem tanden kletterde tegen de grond, maar de pin bleef in de granaat steken.
Kermend van de pijn smeet de kortgestuikte de granaat in de frituur.
Jankend, huilend, jammerend zette hij het op een lopen.

oOo


Buck en Chuck waren niet verdwaasd door de N2O, zoals hun collega’s. Ze vlogen naar de uitgang en zetten de achtervolging in. Enkele spionnen holden ook naar buiten, maar iets langzamer, als in een vertraagde film.
Boloog was verdwenen.
Buck en Chuck keerden terug naar de frituur. Bij de meeste spionnen was de lachgaskater nog te groot om ten volle te kunnen begrijpen wat er was gebeurd. Ze dropen gewoon af naar hun tent.
In de frituur stond Martine nog steeds versteend en vol afgrijzen te wijzen naar de tafel waar de granaat onder was gerold. Buck en Chuck raapten hem op, ijzig kalm.
‘Er kan niets gebeuren zolang de pin erin zit,’ verzekerde Buck haar. ‘En wees gerust, de pin zal er niet uitkomen. Hij is vastgeroest. Maar we brengen de granaat toch onmiddellijk in veiligheid.’ Buck en Chuck liepen naar buiten en gaven onderweg Piet een por in zijn zij.
Na de aanslag was Piet, net als Buck en Chuck, naar de uitgang van de frituur gerend met de bedoeling Boloog bij zijn lurven te vatten. Die achtervolging was van korte duur geweest. Met zijn blote voeten had Piet in verschillende scherpe stukken versplinterde tand getrapt. Er lagen er nog heel wat meer, vieze, zwart uitgeslagen tanden, in stukken of volledig. Piet was ter plaatse blijven dansen van de pijn en trok nu voorzichtig, één voor één, de stukjes tand uit zijn voetzolen.

Toen Buck en Chuck terug waren, stelden ze onmiddellijk een hele resem vragen aan Martine. ‘Die Boloog... Wat komt die hier eigenlijk doen? Waar verblijft hij? Op de camping?’
‘Hij heeft hier een vaste staanplaats...’ antwoordde Martine, ‘maar soms blijft zijn caravan dagenlang leeg. En dan duikt hij plots weer op en gaat hij terug naar zijn antieke, Amerikaanse caravan. Je hebt die zeker al gezien op de kampeerweide. Hij is helemaal uit aluminium opgetrokken. Hij heeft last van metaalmoeheid en losse onderdelen, en het hele geval hoort eerder thuis op een schroothoop dan op een camping.’
Toch had Martine er nooit iets over gezegd aan Boloog. De logge caravan was zo antiek dat er een zekere poëzie in verborgen lag. In de opkomende zon blonk en blikkerde het ding temidden van de andere, matwitte, plastic en polyester caravans. Het weerkaatste de subtielste kleuren van lucht en aarde.
Maar Martine had het wel vreemd gevonden dat zelfs de gordijnen van de caravan uit aluminiumfolie waren gesneden. Het interieur van Boloog had ze nooit gezien. De deuren en ramen hield hij altijd angstvallig gesloten voor nieuwsgierige ogen.
‘Laten we een bezoekje brengen aan die caravan,’ vond Buck.
‘Misschien verschuilt Boloog zich daar wel.’
Chuck stond al op om Buck te volgen.
‘Ik ga ook mee,’ zei Martine. ‘Dit is mijn camping. Ik wil weten wat er hier gebeurt. En wat Boloog bezielde toen hij die aanslag pleegde.’
Op de deur van de frituur hing ze een bord met de woorden ‘EVEN GESLOTEN’. Ze had er vertrouwen in dat ze de frituur een tijdje gesloten kon houden. Op de zonneweide en bij het meer lag iedereen zijn lachgaskater uit te broeden. Pas tegen de avond zouden de mannen echt hongerig worden.
‘Oprukken tegen die Boloog!’ riep Chuck vol bravoure, zwaaiend met een ingebeeld zwaard.



(wordt vervolgd)



Op deze website kan je het volledige boek lezen.
De gedrukte versie van Camping Martinatuur kan besteld worden door me te contacteren op mijn emailadres.
Alle info met de nodige links vind je op mijn website, www.manonsite.eu.

Camping Martinatuur
Copyright 2008 Manon
manon@skynet.be
www.manonsite.eu
Omslag: Kaisan
ISBN: 9789079457014
NUR: 300
Vertaald naar het Frans onder de titel: ‘Camping Martinature’


Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens