woensdag 17 oktober 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Manon - Manon - Camping Martinatuur (15/33)
Gepubliceerd op: 02-02-2012 Aantal woorden: 2401
Laatste wijziging: 27-07-2015 Aantal views: 1294
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Manon - Camping Martinatuur (15/33)

Manon


(Piet heeft Martine gekust! Hij kan niet slapen en trekt de bossen in. Hij heeft geen idee dat hij gevolgd wordt…)


Het meer lag er verlaten bij. Af en toe kuste een vis de oppervlakte van het inktzwarte water, dat dan rimpelde in uitdeinende cirkels. Ergens aan de kant van het meer zat een naakt lichaam op een rots, zijn voeten in het water. Toen een vis aan zijn dikke teen begon te sabbelen, trok Piet grommend zijn natte voeten naar boven. Hij stond op en stapte in de richting van het struikgewas aan de rand van het bos, een eindje van het meer weg. Tussen de rotsen en de struiken, op een egale ondergrond van gras, strekte hij zijn handdoek uit.

Na de hete, zonnige dag kon het bos eindelijk afkoelen. Ook Piets lichaam had deze afkoeling nodig. Hij genoot terwijl hij naar de hemel staarde. Er was geen straatverlichting, geen neonreclame in de omgeving. Koplampen van auto’s of vrachtwagens bewogen ver weg in het binnenland. Hier waren alleen lichtjes vanuit de ruimte zichtbaar, fonkelende punten van vuur. Hij wist niet precies hoeveel hij er zag, maar het waren er veel, heel veel, en hij wist dat hij maar een zeer kleine portie van alle bestaande sterren waarnam.

Vanuit het duister doken zij op, totaal onverwacht. Zes gedaanten. De kilte die van hen uitging was allerminst verfrissend. Enkelen onder hen droegen een emmertje. Piet had niet gemerkt dat die duistere figuren hem al een hele poos hadden geobserveerd vanuit het struikgewas. Ook niet hoe ze waggelend, hun evenwicht zoekend, op de rotsachtige ondergrond de glooiing waren afgedaald tot op het plekje waar hij lag.
Plots stonden ze daar, naast hem, bloot, zoals hij. Ze hielden een scherpe, moraliserende blik op hem gericht. Hun monden stonden strak gespannen met de hoeken naar beneden, hun voorhoofden lagen geplooid in een diepe frons, zoals het moralisten betaamt.

‘Mijn zoon, u staart naar de sterren,’ sprak een magere figuur, die een ketting met een groot kruis om zijn hals droeg.
Piet keek de schim schuin aan. ‘Mag ik beleefd opmerken dat ik jullie zoon niet ben,’ zei hij.
‘Ach, alle mensenkinderen zijn onze zonen,’ antwoordde de man.
Piet wist met wie hij te maken had. Die slijmerige taal. Het slepende, monotone, vervelende, en vooral de verrekt autoritaire klank van de stem. De doorsnee taal van elke sekteleider, pastoor, dominee, rabbi, imam, ayatollah, goeroe, president, koning, ideoloog en noem maar op. De zes mannen behoorden tot de drie grootste sekten die hun stempel drukten op de planeet, drie sekten die vertrouwd waren met doden, uitbuiten, en mensen angst aanjagen door het uitdragen van een zogeheten ‘blijde’ boodschap. Ze verschilden in niets van zij die ideologieën en filosofieën uitdroegen, maar de afgevaardigden daarvan waren vandaag blijkbaar elders actief.
Piet was op zijn hoede. Hij keek de zes mannen aan, een voor een. ‘Als ik uw zoon ben, mag ik u dan vragen in welke sekten mijn vaders huizen?’
De mannen reageerden geschokt. Zij zagen zichzelf helemaal niet als aanhangers van mediocere sektes die het gemaakt hadden in de wereld, maar wel als vertegenwoordigers van eeuwenoude, waardige tradities van waarheid.

‘Mijn zoon, wij zijn hier voor gewichtige zaken,’ sprak een van de twee rabbi’s. ‘Wij zijn ervan op de hoogte wie je bent en waarom je hier bent. Wij weten dat je thuis ergens in de sterrenhemel te vinden is, en we zouden graag meer te weten komen over de schepselen die op jouw planeet wonen.’
‘Schepselen van mijn planeet? Wat bedoelt u?’
Een van de twee imams repliceerde. ‘Dat weet je maar al te goed. Speel met ons geen spelletjes. In de loop van onze geschiedenis hebben we genoeg getoond dat met ons niet gesold wordt. Wij zouden graag meer over jouw planeet vernemen. Begrijp je?’
‘Maar... waarom zijn jullie er zozeer van overtuigd dat ik van een andere planeet kom?’ vroeg Piet verwonderd.
‘Kale schedels behoren tot hooligans, neo-nazis of tot de aanhangers van die... sekte die zich over vrijwel de hele Aziatische wereld, en nog veel meer, verspreid heeft,’ sprak de magere kanunnik. ‘Jij behoort tot geen van die groepen. Toch ben je kaal, van kop tot teen.’
‘Inderdaad, dat komt doordat...’
‘Je hoeft het niet uit te leggen, mijn zoon. Haarloosheid is een teken van vergevorderde evolutie. Ufonauten die met hun ruimtetuigen tot hier geraken staan verder in de evolutie van het leven dan de mens, en bijgevolg is elk haarsprietje hen vreemd.’ De magere boog zich voorover en sprak verder op die valse, plakkerige toon. ‘Wij waren op zoek naar de foto’s van een ufo die hier in de omtrek zou geland zijn. Maar waarom zoeken naar foto’s als we de echte buitenaardse hier voor ons hebben, mijn zoon? Wij weten wie je bent. Ontkennen heeft geen enkele zin. Die blonde lokken waren een schitterend afleidingsmanoeuvre, maar niet meer dan dat. Mijn zoon, vertel ons meer over je cultuur en je thuisplaneet, en vooral... over de godsdienst die er heerst.’
De mannen zwegen.

In Piets hoofd tolden de gekste gedachten rond, als planeten rond sterren. Net als Boloog dachten deze heren ook dat hij een ufonaut was... daaruit leidde Piet af dat Râar en Zhîm volkomen veilig waren want niemand had enig vermoeden van wie of wat zij waren.
‘Wat ik niet begrijp... waarom zijn jullie allemaal samen naar mij gekomen?’ vroeg Piet. ‘Drie verschillende godsdiensten! Als ik het goed heb, maken jullie toch juist jacht op elkaar. In de loop der geschiedenis hebben jullie dat voortdurend gedaan. Zijn plots al die ruzies bijgelegd?’
Er viel een ijzige stilte.
Er bleef geen antwoord komen.
Tenslotte concludeerde Piet: ‘Ach ja, ik begrijp het wel. Gewoonlijk zitten jullie elkaar in de haren, maar nu er buitenaardsen mee gemoeid zijn, hebben jullie gezamenlijke belangen – of voel je je gezamenlijk bedreigd? – en jullie trekken dus eventjes aan eenzelfde zeel.’
De mannen zeiden niets.
De gedachten van Piet hadden nu hun vaste en definitieve baan bereikt. Piet was er zeker van dat deze eerwaarde heren veel zouden slikken. Heel erg veel. Slikken behoorde nu eenmaal tot de essentie van hun wereld, van het proces waarop zij bouwden: geloven. Net als ideologen en politiekers lieten zij de wereldbevolking heel veel slikken. Deze keer waren zij aan de beurt. Hij had een verhaaltje klaar. Gelukkig maar dat de mannen, in het duister van de nacht, de humoristische vlammetjes in zijn ogen niet konden zien opflakkeren.
‘Oké dan. Ik kom inderdaad van ver, van heel erg ver. Waarom zou ik het niet vertellen? Het kan geen kwaad, jullie mogen het allemaal weten. Niemand zal jullie trouwens geloven.’
Dit zou Piet nooit gezegd hebben als hij had geweten dat een eindje verder iemand het hele gesprek overhoorde. Geen woord van wat Piet zou vertellen wilde die figuur missen. Hij moest en hij zou alles te weten komen over die smerige buitenaardse vooraleer hij hem uit de weg zou ruimen. De man kon zijn vreugde niet op. Nooit eerder had hij zoveel geluk gehad. De heer van het kasteel zou tevreden zijn over hem.

‘In werkelijkheid is onze huid blauw,’ begon Piet, ‘maar we kennen speciale kameleontechnieken om deze kleur aan te passen aan de planeet waar we landen. Op psychologisch vlak zijn dergelijke kameleontechnieken jullie ook niet helemaal onbekend. Ik meen zelfs te weten dat jullie daar bijzonder goed in zijn. Wij beheersen compleet onze pigmentatie, jullie beheersen compleet jullie tekstuitleggingen.’
De zes mannen begrepen het allemaal voor de volle honderd procent, maar ze keken elkaar verrast aan.
‘Kennen jullie misschien een zekere god Krishna?’ informeerde een van de imams.
‘Een van de secundaire secten van deze planeet kent een god die Krishna heet, en hij heeft ook een blauwe huid,’ vulde de magere kanunnik aan.
‘Nee,’ antwoordde Piet droogjes. ‘We kennen geen god Krishna. Als die aardse god een blauwe huid heeft, dan komt dat waarschijnlijk door de make-up.’
Een van de rabbis gooide het over een andere boeg. ‘Wat ons eigenlijk interesseert is hoe het er op religieus gebied aan toegaat op jullie planeet. Want ziet u, op deze planeet zijn wij het uitverkoren volk van God. Maar we vragen ons af of God op jullie planeet ook een volk uitverkoren heeft?’
Deze woorden kwamen nogal slecht aan bij de vier van de andere godsdiensten, die dit lieten blijken door een ontevreden gegrom.
‘Ik zal het u allemaal vertellen. Het is trouwens heel eenvoudig, want wij kennen geen godsdienst.’
‘Atheïsten,’ zei de magere kanunnik minachtend.
‘Een planeet vol ongelovigen,’ sprak de imam, en het klonk als een vloek.
Maar wat volgde, kwam pas verrassend over voor deze mannen.

‘Nee, helemaal niet, we zijn evenmin atheïst als theïst. We houden ons gewoon niet bezig met godsdienst en filosofie. We hebben wel wat anders te doen, dat veel meer de moeite waard is!’
‘Niet bezig met godsdienst? Ook niet met ideologie? Filosofie?’
Voor de eerste maal in hun leven stonden ze er ongelovig bij. ‘Maar dan... dan kennen jullie ook geen verschillende standpunten... en dus ook geen... godsdienstoorlogen?’
‘Nee, we kennen geen godsdienstoorlogen, en evenmin filosofische of ideologische twisten. We kennen zelfs geen grenzen, en daardoor bestaan er bij ons niet eens nationalistische geschillen. Het is werkelijk heel eenvoudig: we amuseren ons. Het woord oorlog kennen we niet eens.’
‘Maar dat kan niet. Je moet je toch bezighouden met vragen als ‘Uit wat zijn we voortgekomen en tot wat zullen we terugkeren?’ Hoe zou je anders kunnen handelen? Hoe zou je zingeven aan alles wat je doet?’
‘Zoals ik al zei, dat is heel helder: we amuseren ons te pletter binnen de coördinaten van ruimte en tijd. De hele dag door spelen we met alle elementen die ons ter beschikking staan. De hele tijd maken we nieuwe uitvindingen.’
‘Uitvindingen?’ vroeg de magere.

‘Niks dan uitvindingen, jawel,’ beaamde Piet.
‘Kleine kinderen,’ mompelde de magerste kanunnik. Voor zijn ogen dook het beeld op van hemzelf toen hij nog een kleine jongen was, en een bouwdoos met meccano-onderdelen kreeg. Hij pinkte een traan weg.
‘Waarom ondernemen jullie dan ruimtereizen?’ vroeg de imam, niet begrijpend.
‘Uitvinden, dat kan je toch doen zoveel je wenst op je eigen planeet. Daarvoor hoef je de hele kosmos niet af te schuimen,’ ging de rabbi verder.
Piet vervolgde. ‘Wij, wezens van die verre planeet, vinden het heerlijk om te zien welke uitvindingen andere wezens op andere planeten in de kosmos gedaan hebben. Soms gebruiken zij daarbij gedachtegangen die bij ons nooit opkomen. En dat is heel interessant. Vaak beschikken zij ook over elementen die op onze planeet niet eens bestaan. Het is wonderlijk om dat allemaal te ontdekken.’
Al pratend hield Piet zijn toehoorders in het oog om te weten hoe zijn verhaal overkwam en hoe hij het eventueel moest bijsturen om geloofwaardig te blijven.

‘Die aliens zijn niet meer dan een stelletje kinderen op zoek naar nieuwe elementen voor hun bouwdozen,’ snoof de imam minachtend.
‘Juist,’ beaamde de rabbi. ‘Die wezens kennen geen enkele diepgang.’
‘Verdorie. De planeet van dat wezen is totaal onontgonnen gebied op godsdienstig vlak... een immens gebied waar we onze boodschap kunnen uitdragen,’ bedacht de magere kanunnik. ‘Een goudmijn ligt op ons te wachten...’ Hij overhandigde Piet een kaartje. ‘Alsjeblieft, hierop vind je mijn naam, en een adres in Vaticaanstad. Daar kan je mij contacteren. Wij kunnen jullie helpen met het doorgeven van een heleboel nieuwe elementen voor jullie bouwdozen.’
Ineens smolt de eerdere, zo grote verbondenheid van de zes personages als sneeuw voor de zon.
‘Wij beschikken over nog véél betere bouwdozen dan hij,’ onderbrak de imam. Hij gaf Piet zijn kaartje.
Ook de rabbi reikte zijn visitekaartje aan. ‘Als het op uitvinden aankomt, kan niémand ons evenaren,’ beweerde hij.
Piet weigerde hoofdschuddend de kaartjes aan te nemen. ‘Van harte bedankt, maar dat heb ik allemaal niet nodig. Wij’ - en hij legde de nadruk op het woord ‘wij’ - ‘WIJ weten jullie wel te vinden. Als WIJ jullie nodig hebben.’
De mannen bekeken elkaar vijandig.
Slijmerig namen ze afscheid van Piet.

Dan dropen ze af, twee aan twee, in verschillende richtingen. In elk koppel was er een van de twee die begon te rochelen, niezen, hoesten.
Bijna terug op de camping sprak de magere tot zijn assistent: ‘Hun handelswijze is grotesk. De hele dag door spelletjes spelen, en dan ruimtereizen ondernemen om nog meer elementen voor hun bouwdoos te vinden. Ze hebben geen godsdienst, dus moeten ze innerlijk vol twijfels zitten. Ze hebben geen zekerheid over wat goed en kwaad is! Ze vormen in ieder geval geen enkele bedreiging voor de
godsdienstbeleving op de Aarde. Op dat vlak hoeven we niets te vrezen. Maar als we ooit de vlag van onze godsdienst op hun planeet kunnen planten, zijn we rijk. We moeten dus proberen daar als eersten aan te komen. Ik ga onmiddellijk de Curie inlichten. Jij blijft hier, en je houdt die alien goed in de gaten. Verzorg hem goed!’
De magerste had geen enkel bezwaar om op de camping te blijven, en probeerde om de lichtjes in zijn ogen niet te fel te laten schitteren.
‘Misschien kan je ondertussen nagaan of die alien niet van jouw geaardheid is?’ suggereerde de magere nog. ‘In sommige omstandigheden is het helemaal niet zondig, weet je. Bijvoorbeeld als het ons kan helpen om voet aan wal te krijgen op een andere planeet.’
‘Dan is het een goede daad,’ antwoordde de magerste.
‘Ja, maar ruk je toch niet teveel af. Je bént al zo mager. Het is uitputtend, weet je.’

oOo


Tussen de struiken, in zijn fort opgetrokken uit keien, stenen en takken, zakte Boloog weg in de tevreden, diepe slaap van de vredigen, met naast hem zijn slagersmes. Een eindje verder lag Piet op zijn badhanddoek. Hij wist dat hij hoog gescoord had. De religieuze heren hadden dergelijk bizar nieuws niet verwacht, en het zou nog een hele tijd duren eer ze van de verrassing zouden bekomen.
Voldaan keek Piet naar de sterren.

(wordt vervolgd)



Op deze website kan je het volledige boek lezen.
De gedrukte versie van Camping Martinatuur kan besteld worden door me te contacteren op mijn emailadres.
Alle info met de nodige links vind je op mijn website, www.manonsite.eu.

Camping Martinatuur
Copyright 2008 Manon
manon@skynet.be
www.manonsite.eu
Omslag: Kaisan
ISBN: 9789079457014
NUR: 300
Vertaald naar het Frans onder de titel: ‘Camping Martinature’


Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens