woensdag 17 oktober 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Manon - De pot op! (4/12) - thriller
Gepubliceerd op: 31-01-2012 Aantal woorden: 1185
Laatste wijziging: 31-01-2012 Aantal views: 1314
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

De pot op! (4/12) - thriller

Manon


(Wat voorafging: In de auto, op de terugweg van het dorp, heeft André aan Serge verteld dat zijn dokter een erfenis heeft ontfutseld aan een oude vrouw. Serge heeft beslist dat hij de pillen van die onbetrouwbare dokter niet meer zal innemen.)


In de woonkamer zat André te vertellen, bijna zonder adem te halen, over catalogi, voordeelbonnen, orde en discipline.
Serge luisterde niet. Met een glimlach haalde hij een eerste gelule uit de doos. De eerste gelule voor de vuilnisbak. Zijn ‘middagpil’. Hij opende de gelule. De inhoud viel in de spoelbak. De gelatine spoelde erachteraan. Algauw was er niets meer van te zien. Serge had niets ingenomen maar André kon aan de inhoud van de doos controleren dat Serge al zijn medicatie op tijd had genomen.
Daarna begon Serge aan de gebruikelijke routine, zoals altijd wanneer hij de keuken had moeten verlaten. Hij was samen met André naar het dorp gegaan, en nog voor André uit de garage was, was Serge alweer beneden geweest. André kon onmogelijk de keuken hebben betreden in zijn afwezigheid. Toch opende en sloot Serge alle keukenkasten. Alles werd onderworpen aan een nauwkeurig onderzoek. Elke kast werd uitgekamd tot in de kleinste uithoeken. Serge werkte snel en efficiënt, maar bleef op zijn hoede voor elk nieuw detail. Tenslotte leek alles hem in orde. Er was niets veranderd sedert hij met André naar het dorp gegaan was.

De keuken was de ideale plek voor iemand die zich wilde afzonderen. Welke mens zou klein genoeg zijn om er samen met Serge in te kunnen? Wanneer Serge er was, kon niemand er nog bij. Het vertrek was aangebouwd aan het huis, en veel te smal. Serge had amper de plaats om in de keuken te staan en zich te draaien. Het gangetje tussen de kasten en het aanrecht was zo smal dat de deuren van de meubels niet helemaal open konden. Iets klaarmaken in de oven was uitsluitend mogelijk door gebruik te maken van speciaal kleine potjes die door de spleet van de ovendeur konden. Het was een gevaarlijke acrobatie om de klaargemaakte schoteltjes uit de hete oven te halen. De keuken was duidelijk veel te klein voor twee personen.

André had niet moeilijk gedaan. Hij was er steeds minder gekomen. Bovendien bleef hij toch liever in de woonkamer. Hij bracht alles in orde van de verzekeringen, belastingen, rekeningen. Hij fleurde op van betalingsopdrachten waar zijn naam op stond. Net als de winkels erkende ook de administratie hem als een levend wezen. Voor hen bestond hij echt. Ze stuurde hem brieven met veel kleine lettertjes die hij allemaal grondig doornam. Hij had rechten en plichten, en omdat hij alle regels zo goed kende was hij een modelburger. De administratie was zijn vriend.

Geleidelijk aan had Serge hierdoor de indruk gekregen dat de keuken zijn domein was. Het was zijn veilige onderkomen, de enige plaats waarvan hij zeker was dat alleen hij er kwam. Maar dat controleerde hij toch niet helemaal. ’s Nachts moest hij wel naar boven om te slapen. En af en toe moest Serge ook overdag naar boven, om het onvermijdelijke te doen, als hij naar de wc wilde. Telkens als hij de pot opgegaan was, op de eerste verdieping, had Serge daarna weer een hele tijd nodig met het afspeuren van alle kasten voor hij zeker was dat er nergens vergif lag, dat er geen pillen door voeding geroerd waren, dat alle blikjes gesloten waren. Alleen als hij dat gedaan had, kreeg hij zijn gevoel van zekerheid en veiligheid terug. Het was omslachtig en tijdrovend.

Serge greep de borstel en veegde de vloer schoon. Stof, restjes aarde en stukjes van groenten kwamen op een hoopje. Serge schoof de deur naar de tuin open. Om alles buiten te vegen haalde hij ver uit met de borstel. Zo kon hij met zijn voeten in de keuken blijven staan.
Soms zette Serge wel enkele passen in de tuin, als het echt niet anders kon, om de borstel uit te pluizen, of om de compost op een hoop te gooien. Maar ver waagde hij zich nooit. Er stond nochtans een omheining van kleine, ondoordringbare dennen rond het grasperk, en de buren waren overdag bijna nooit thuis. Toch brak Serge het zweet uit als hij nog maar aan die mensen dacht.

Terwijl hij het stof uit de keuken naar buiten veegde, kwam een magere poes met een zwarte vacht op hem af. Luidruchtig miauwend kwam ze langzaam zijn richting uit. Ze had duidelijk weinig te eten gehad de voorbije dagen. Misschien was haar baasje op reis, of anders was ze verdwaald. En nu vond ze nergens nog voedsel. Ze was nu vlakbij. Hé, ze zou toch niet… ze wilde toch niet… Jawel! Ze kwam tussen zijn voeten staan! Op de rand van de keuken! Misschien wilde ze wel binnenkomen! In zijn keuken! Geschrokken stampte Serge haar weg.
Haastig schoof Serge de deur toe.
Hij ging niet naar buiten, maar buiten mocht ook niet naar binnen komen.
Geen dier, geen mens mocht hier binnenkomen.
André niet.
En, vanzelfsprekend, de dokter niet.
Maar die poes ook niet.
Het was zijn keuken.

Terwijl Serge nog stond na te trillen op zijn benen omdat hij een poes had weggejaagd, nam het dier rustig een paar meter afstand. Ze ging zitten op de koude tegels van het terras. Een hele tijd staarde ze Serge aan met grote, blauwe ogen. Dan liep ze opneiuw de tuin in.
Van achter de gesloten deur zag Serge hoe de poes tussen de struiken neerhurkte. Hé, wat deed dat dier? Een plasje en een kakje. Daarna stond ze recht en wandelde ze sierlijk door het gras.
Dat wilde Serge ook! Zoals die poes! Gewoon eventjes gaan zitten, daar waar hij er zin in had, en hup! Vervolgens gewoon verderdoen.
Maar dat kon niet. Plassen in de pot die hij daarvoor in de keuken hield, dat kon nog net, maar daarin kakken, dat ging hem te ver. Het zou nochtans een goede oplossing zijn, een pot voor grote behoeften in de keuken... Maar geen pot waarin alles bleef staan. Serge zou moeten kunnen doortrekken.
Zwijgend schudde hij zijn hoofd.

Hij had er al vaak over gepiekerd. Pampers wilde hij niet dragen, hij wilde zich niet een baby voelen. En het zou een hoop vuilnis geven.
Kon hij gewoon op een krant neerhurken en dan de buit naar de tuin brengen, en die daar begraven? Nee, dat zag hij ook niet zitten. Het zou teveel stinken. De kak moest weg kunnen.
Even had hij nog gespeeld met de idee om hem in ballonnetjes, gevuld met helium, in te pakken en de ballonnen op te laten in de tuin. Het zou een kleurig zicht zijn. Het leek een mooie oplossing. Maar al snel had hij begrepen dat op windstille dagen iedereen in de buurt meteen zou weten waar die kakballonnetjes opgelaten werden.
Ook dat idee had Serge laten varen.
Het beeld van de hurkende poes bleef rondwaren door zijn hoofd.

(wordt vervolgd)

Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens