woensdag 24 januari 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Manon - Manon - Camping Martinatuur (12/33)
Gepubliceerd op: 12-01-2012 Aantal woorden: 2817
Laatste wijziging: 27-07-2015 Aantal views: 1158
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Manon - Camping Martinatuur (12/33)

Manon


(Buck en Chuck hebben ontdekt wie Piet is, en herbeleven nog altijd hoe dit avontuur begonnen is. Ook Piet zit met zijn gedachten in het verleden. Het is een gezamenlijke flash-back met zorgeloosheid en hectische achtervolgingen door elkaar…)


Nooit zou hij hoog stijgen aan het firmament van ESA. Nooit was hij zelfs maar hoog genoeg opgeklommen om nu een vallende ster te kunnen zijn. In zijn oude Panhard reed Piet over de snelweg. De bruine envelop met de foto’s lag op het dashboard te verkrullen onder de hete zon. De foto’s waar het allemaal om begonnen was… Hij voelde nog een flard van de woede. Moesten ze hem daarvoor ontslaan? Omdat zíj hun programma’s niet aangepast hadden aan zíjn uitvinding van supersnel opslaan en doorsturen van gegevens? Dan haalde Piet zijn schouders op. Al die ruimtevaart... uiteindelijk kwam het neer op saai bureauwerk. Honderd keer liever zat hij hier op de baan, in zijn rammelende Panhardje.

Piet greep een cd van op de achterbank en schoof hem in de autoradio, volume op maximum. ‘On a long and dusty road…’ een bluegrass nummer. Hij lachte en zong mee uit volle borst. Door het trage tempo waaraan zijn bleekblauwe kar verder hobbelde, werd deze weg beslist een long road, en hoe meer hij het zuiden zou naderen, hoe meer dusty hij zou worden ook. Hij voelde zich net een cowboy in de Far West op een vrolijk wiegend paard.
Onderweg naar het zuiden reed hij een barrage van de gendarmerie voorbij, zwaaiend, glimlachend en zonder angst voor een boete, want te snel kon hij niet rijden. En te traag ook niet, de Panhard haalde nog net de minimumsnelheid van een autoroute.

Bij Buck en Chuck ging het er anders aan toe. Zij hadden een diplomatieke nummerplaat en trokken zich niets aan van snelheidsbeperkingen, flitsende camera’s of mannen in uniform. Ze wilden Piet Geluck inhalen en zoefden erop los aan tweehonderd per uur. Ook zij merkten de barrage op. Er stonden auto’s met zwaailichten en mannen op zware motors, startklaar aan de zijkant van de weg.
‘Wil de gendarmerie ons doen stoppen?!’ vroeg Chuck.
‘The chickens... les poulets,’ verbeterde Buck. ‘Ons moeten ze niet hebben, man. Dat kan niet.’
Dat was een loze, ijdele uitspraak. Zodra de Amerikanen de barrage naderden dwongen de agenten hen om te vertragen en op de pechstrook te stoppen.
‘Misschien heb je toch een ietsjepietsje te snel gereden,’ grinnikte Chuck. ‘En moet je nu je rijbewijs inleveren.’
‘We kunnen een diplomatiek incident missen als kiespijn. Dit is een onnozele ufo-zaak, maar ze is top secret,’ antwoordde Buck.
De Peugeot van de Sûreté Nationale die hen de hele tijd op de hielen had gezeten, scheurde de stilstaande Amerikanen voorbij. En passant zwaaiden de Fransen uitbundig naar Buck en Chuck, en de grimas om hun mond was allerminst ondoorgrondelijk. ‘Wij zijn Fransen,’ lachte die grimas. ‘En we hebben het hele politie-apparaat van Frankrijk tot onze beschikking. Dat politie-apparaat heeft voor ons opgezocht met welke auto Piet Geluck rijdt, en de bereden politie heeft de Panhard opgespoord. Diezelfde dienst heeft ons beloofd dat jullie Amerikanen zeker niet als eersten bij die Panhard zullen komen...’ Spelend met hun koplampen en toeters raasden de Franse gozers verder.
Bij de andere volgwagens heerste enige verwarring. Moesten ze zich achter de Amerikanen op de pechstrook scharen, of gewoon de Franse Peugeot van de Sûreté achterna rijden? De meningen waren verdeeld, wagens zwenkten alle richtingen uit. Maar wie koos voor de pechstrook kreeg niet de kans om zijn auto tot stilstand te brengen. Onverbiddellijk werd iedereen die wilde stoppen terug de baan opgejaagd. De gendarmerie had wie ze hebben wilden, de Amerikanen in hun slee.

Pas anderhalfuur later lieten ze de Amerikanen weer gaan. Buck en Chuck hadden nog nooit zo’n intense controle meegemaakt. Zelfs het alcoholgehalte van hun banden was gecontroleerd! Daarna hadden de agenten nog een langdurige en saaie lezing gehouden over veilig rijden. Daar waren ze net zolang mee doorgegaan tot ze het bericht hadden ontvangen dat de agenten van de Sûreté de Panhard hadden bereikt.
Vloekend en bulderend draaiden Buck en Chuck de baan weer op. Ze waren ervan overtuigd dat alle anderen (vooral de Fransen) de Panhard al hadden doorzocht en dat de foto’s nu in het bezit waren van die Fransen! Woedend raasden ze verder. Buck met gebalde vuisten rond het stuur, Chuck duwend op een denkbeeldig gaspedaal.
Lang duurde hun woede niet. Slechts enkele tientallen kilometers verder ontdekten de Amerikanen een lange rij auto’s op de pechstrook. En helemaal vooraan in de rij... de Peugeot. En voor de Sûreté...
‘De Panhard!’ riep Chuck.
‘En een auto van de wegenwacht achter hem.’
Een technieker stond met brede bewegingen met Geluck te praten.
‘Piet Geluck heeft ongeluk gehad!’
‘En wij geluk!’
Buck en Chuck zwierden hun Buick ook de pechstrook op, een heel eind voor de Panhard. ‘Blijkbaar redeneert de Franse Sûreté zoals wij. Ze willen weten waar Geluck op afstevent vooraleer ze de hand leggen op de foto’s,’ zei Buck.

Net dan kroop Piet terug achter het stuur en vertrok, breed lachend en wuivend naar de pechverhelper.
‘Nogmaals bedankt! Zo’n raampje dat altijd weer wegzakt in de deur is niet te doen. Al die wind in mijn oor! Ik zou nog een oorontsteking opgelopen hebben, en mijn vakantie zou naar de haaien zijn!’
De sliert auto’s achter hem zette zich weer in beweging, ditmaal onder het commando van twee Italianen in een Alfa Romeo. Een van de Italianen speelde nog demonstratief met een lange, heel scherpe stiletto. De twee mannen van de Sûreté in hun Peugeot bleven verweesd achter met vier stijlvol doorgestoken banden. De Amerikanen lieten de Panhard van Geluck voorbijrijden en dwongen dan hun vertouwde plaatsje af, vlak achter de bleekblauwe oldtimer. Deze keer reden vlak achter hen de stiletto’s, die gevolgd werd door de gekende sliert, eerst de Golf Gti met Belgische nummerplaat, dan de Porsche Cayenne met Duitse nummerplaat, de Seat met Spaanse nummerplaat, de rode Humvee (China), en nog heel wat anderen. De rust was teruggekeerd in het peloton.
Maar niet voor lang.

Na een tiental kilometer, totaal onverwacht, nam Piet op het allerlaatste moment en zonder gebruik te maken van het knipperlicht, een afrit. Het peloton schoot de afrit glansrijk voorbij.
‘Dedju! Miljaar! Ook dat nog!’ Buck gooide de wagen de pechstrook op en ging uit alle macht op zijn remmen staan. De wagens achter hem deden hetzelfde. Het werd een hele bedoening voor de Amerikanen om in achteruit tot bij de afrit te komen. Toch werden ze niet tegengewerkt door de internationale bende veiligheidsagenten achter hen. Integendeel, die maakten allemaal de baan zoveel mogelijk vrij om zich daarna opnieuw achter de Amerikanen te scharen. Maar toen ze de autosnelweg eindelijk veilig verlaten hadden, was de auto van Piet nergens te bekennen.
‘Links of rechts? Of rechtdoor?’ vroeg Buck.
Op dat ogenblik schoot de auto van de Sûreté, met vier gloednieuwe banden, hen voorbij. De Amerikanen wisten hoe laat het was en positioneerden zich achter de Fransen, in tweede positie. De Sûreté werd natuurlijk geholpen door de gendarmerie en was ervan op de hoogte welke weg de Panhard volgde.
Ondertussen was het avond geworden. Chuck keek teleurgesteld. Als Tex-Mex was hij het gewoon om te verliezen, maar hij had toch gehoopt een overwinning te behalen in deze race met de Franse Sûreté, een race om een ontslagen jongeman die zelfs niet wist dat hij gevolgd werd.

oOo


Piet had nog altijd niets gemerkt van de herrie die al urenlang achter hem aan de gang was. Zijn karretje tufte gezellig verder langs akkers en bossen, met zicht op de late avondzon. Langzaam klom hij steile hellingen op en snel daalde hij ze af. Geiten, ezels, koeien, paarden en schapen volgden met grote ogen de bewegingen van de Panhard, alsof ze beseften dat het om een oldtimer ging. Op een bepaald moment liepen enkele paarden zelfs mee met de Panhard, en toonden dat ze sneller konden lopen als ze dat wilden.
In zijn verschrikkelijk gescheurde reisgids had Piet een verlaten plekje ontdekt in een wild stuk groen in het zuiden van Frankrijk. Het lag in een uitgestrekt gebied van bossen, er was een enorm meer in de omgeving, en kilometers in de omtrek was er geen stad, geen hotel, geen restaurant, geen enkele bezienswaardigheid of toeristische attractie te vinden. In de nabije omgeving was er enkel een kasteel – een onbeduidend, nieuwerwets kasteel, en dus zonder enig architecturaal belang - en er was een oud dorpje van slechts enkele straten groot. Verder waren er alleen bomen, struiken, de natuur. De reisgids vermeldde ook een minuscule vierderangscamping. Dat was zijn doel, al vroeg hij zich af of de camping nog bestond. Indien wel, dan kon hij er overnachten. Indien niet, dan zou hij gewoon zijn tent neerzetten ergens tussen de bomen.
Maar het werd donker, en hij had moeite om zich te oriënteren. Hij raakte steeds verder verwijderd van de bewoonde wereld en er waren ook geen baancafés meer waar hij de weg kon vragen. Hij sloeg een zoveelste kleine baan in. Die veranderde al snel van identiteit en werd een smalle landweg die zich kronkelde tussen bomen, velden en weiden.

oOo


‘Daar!’ riep Chuck. ‘Links, in de verte!’
Twee koplampen in het veld. De Panhard! Buck stopte net op tijd en draaide de zijweg in, gevolgd door de sliert wagens achter hen.
Alleen de Sûreté had niets in de gaten en reed rechtdoor.
In de volgkaravaan begon weer verwarring op te treden. Waarom volgden de Amerikanen niet langer de Sûreté? Maar dan merkten ze het: de koplampen van een auto, ergens ver weg in de velden. Ze snapten dat het allemaal om die auto draaide, en besloten om er zelf achteraan te gaan. Zonder de Amerikanen nog te volgen reden ze naar de Panhard.
De tocht liep langs kleine aarden weggetjes. De auto’s hobbelden door plassen, diepe putten en spattende modder. Het leek wel of de voorbije dagen een enorme storm had gewoed. Wegen waren soms een modderpoel, grachten lagen vol water en de grenzen tussen modderweg en gracht waren niet altijd duidelijk in de avond. Sommige auto’s probeerden een kortere weg te vinden om eerder bij Piet te komen, andere probeerden het off-track, dwars door de velden. Algauw zaten alle geheime agenten hopeloos vast, verspreid over het landschap, met zicht op elkaar. Piet zelf was uit het zicht verdwenen.

oOo


Toch was ook Piet de weg kwijt. Langzaam volgde hij een smal landweggetje bergop. In de verte had hij lichtflitsen waargenomen, bewegend in vreemde patronen, met steeds verschillende kleuren, groen, geel, blauw, die elkaar opvolgden aan steeds verschillende ritmes. Was er een openluchtdisco in deze verlaten omgeving?
Waar licht was, moesten mensen zijn, dacht Piet. En inderdaad, aan de kant van de grasvlakte stond een lichte vrachtwagen. In de weide was een kleine buizenconstructie opgezet met spots en laserlicht. Piet parkeerde bij de camion.
In de weide stond een jongeman geconcentreerd achter een soort mengpaneel. Hij bestuurde spots van allerlei slag. Even keek hij Piet aan, dan draaide hij zijn hoofd terug naar het mengpaneel en seinde verder. Zwijgend volgde Piet het hele toneel. Na drie minuten reageerde de jongeman nog steeds niet op zijn aanwezigheid. Zijn vingers gleden over de knoppen, soepel en ervaren als van een professionele pianist. Hij combineerde ingewikkelde ritmes van licht en kleur, waarschijnlijk foutloos, zonder zich één seconde te vergissen. Tussendoor tuurde de kerel door een kijker en tastte de hemel af.
Piet had gehoord dat er zo’n mensen bestonden. Bij ESA werden er veel grapjes over gemaakt. Deze mensen participeren niet aan de wetenschappelijke manieren om contact te zoeken met buitenaardsen. Ze beperken zich tot de gekke methode om met lichtstralen en radiosignalen de aandacht te trekken van ufo’s waarvan zij overtuigd zijn dat ze in het luchtruim ronddartelden. Piet vond het een interessant concept, dingen zeggen tegen wezens die er waarschijnlijk niet waren en in een uitdrukkingsvorm die ze niet eens zouden begrijpen.
Drie keer rood, lang aangehouden, en een duw op een laatste knop.
Volkomen duisternis. De seinpartij was afgelopen.

Fluisterend, alsof hij eventuele ufonauten kon storen met zijn stemgeluid, begon de jongeman zowaar te praten. ‘Sorry, ik kon niet eerder reageren. Het moet allemaal heel precies verlopen, op de seconde nauwkeurig.’
Piet respecteerde de regels en fluisterde terug. ‘Heb je dan geen programma dat het allemaal automatisch voor jou doet?’
De jongeman zuchtte. ‘Ik werk eraan, maar het loopt niet vlot. Ik ben geen kei in informatica... eerlijk gezegd ben ik er ook niet graag mee bezig. Het zal nog even duren voor dat programma klaar is.’ Hij ging verder: ‘Ik gebruik zeer krachtig laserlicht. Ik denk dat het zelfs camera’s van satellieten in de ruimte zou kunnen verblinden. Maar dan moeten die camera’s pal in mijn spot gericht staan, en de kans dat zoiets gebeurt is bijna gelijk aan nul, dus wat geeft het. Ufonauten moeten mijn signalen toch kunnen ontvangen, nietwaar?’
‘En of,’ zei Piet, en hij dacht eraan dat als een camera van ESA of van eender welk ander ruimtestation deze laserstralen op haar lens zou ontvangen, alle foto’s verknoeid zouden zijn, voor altijd.
‘Ik heb nog vijf minuten, dan begin ik weer. Waar kom je eigenlijk voor? Ben je op zoek naar de camping?’
Piet knikte. Zou de vierderangscamping van zijn reisgids toch nog bestaan?
‘De uitbaatster zal blij zijn. Ze probeert het nog één seizoen, heb ik gehoord, en als het dan niet lukt, stopt ze ermee. Er komt niet teveel volk, moet je weten.’
‘Daar is het mij juist om te doen. Stilte. Ruimte. Weg van de mensen.’
‘Daar houd ik ook van. Geen verkeer op de baan. Geen interferentie met koplampen. ’s Nachts is het hier altijd pikdonker. Geen lichtvervuiling.’
De jongeman legde snel uit hoe Piet bij het kampeerterrein kon komen. Gewoon de kronkelende weg verder bergop. Het was een doodlopende weg, en aan het einde lag de oprit van de camping.
‘Ik kom er vaak. Telkens terug naar huis rijden na mijn experimenten betekent teveel tijdverlies.’
‘Dus zien we elkaar binnenkort terug?’
‘Beslist. Er is ook een frituur, en als ik honger heb ga ik daar meestal iets halen.’ De jongeman glimlachte ten teken van afscheid. Tien seconden later begon zijn spel van ritme en kleuren opnieuw.
Piet nam plaats achter het stuur van de Panhard en reed de kronkelende weg op.

oOo


Het vroeg de geheime agenten erg veel tijd om de knoop van hun situatie te ontwarren. Auto’s moesten uit struiken gewrongen worden, uit grachten getrokken, platgereden banden moesten vervangen worden, en daar bovenop reden ze elkaar voortudrend gewild, soms ongewild, klem op de supersmalle landweggetjes. Samen verdwaalden ze in een doolhof van holle wegen, doodlopende paden, weilanden en struikgewas.
Uiteindelijk daagde licht op in de verte. Dat beschouwden ze als de enige mogelijkheid om uit hun dwaling te ontsnappen en ze stoven erop af als motten, onweerstaanbaar aangetrokken door dat licht. De Amerikanen kwamen als eersten bij de Flitser aan. Net als Piet moesten ook zij geduld opbrengen tot de jongeman zijn sessie had beëindigd. Terwijl ze het lichtgebeuren zwijgend observeerden vroeg Buck zich af of het misschien deze jongeman was geweest die de camera’s van de spionagesatelliet van Defensie had verblind. Uiteindelijk onderbrak Flash die gedachten door zijn sessie te beëindigen. Even later begaven Buck en Chuck zich jubelend op weg naar de camping. Ze hadden geluk gehad! Voor het eerst hadden ze echt geluk gehad in deze zaak!
Plots moest Buck al zijn remmen dichtgooien en uitwijken. Voor hem stond een kleine robuuste kerel voor zich uit te staren. Bloot. Met spatten mayonaise tussen het borsthaar. Toen Buck uitstapte nam de bizarre figuur vliegensvlug de kleine beentjes en verdween in de duisternis.
Buck en Chuck keken elkaar aan met vraagtekens in hun ogen. Ze waren ervan overtuigd dat hen hier nog heel veel verrassingen te wachten stonden.
Aan de ingang van de camping parkeerden ze hun auto. Ze merkten meteen de bleekblauwe Panhard op, schuin over twee parkeerplaatsen. Buck slaakte een lange, ontspannen zucht. Ze hadden hem te pakken.
‘De tent is weg van zijn bagagerek,’ zei Chuck.
‘En de deuren van zijn auto zijn niet eens op slot.’
Professioneel en snel doorzochten de Amerikanen de Panhard. Hoe sneller hoe beter, want het zou niet lang duren voor de processie van de andere veiligheidsdiensten hier ook zou terechtkomen.


(wordt vervolgd)



Op deze website kan je het volledige boek lezen.
De gedrukte versie van Camping Martinatuur kan besteld worden door me te contacteren op mijn emailadres.
Alle info met de nodige links vind je op mijn website, www.manonsite.eu.

Camping Martinatuur
Copyright 2008 Manon
manon@skynet.be
www.manonsite.eu
Omslag: Kaisan
ISBN: 9789079457014
NUR: 300
Vertaald naar het Frans onder de titel: ‘Camping Martinature’

Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens