zondag 15 juli 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Manon - Manon - Camping Martinatuur (11/33)
Gepubliceerd op: 05-01-2012 Aantal woorden: 3929
Laatste wijziging: 27-07-2015 Aantal views: 1875
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Manon - Camping Martinatuur (11/33)

Manon


(Nu Buck en Chuck ontdekt hebben wie Piet is, denken ze terug aan het moment dat ze deze spionageopdracht gekregen hebben van de CIA en wat hun eerste stappen in het onderzoek waren…)


Foto’s waarop een ufo te zien zou zijn... in een eerste stadium wilde Buck die vinden in de flat van Piet...
Onderweg naar die flat had Buck de persoonlijke gegevens van die Geluck nog eens doorgenomen. Piet Geluck was een Belg en werkte binnen het domein van de biopsychosociologie, wat zoiets ook mocht betekenen. Hij ontwikkelde zijn onderzoek in een ESA-afdeling in Frankrijk. Zijn auto, een bleekblauwe Panhard PL17, was een oldtimer die hij had geërfd van een van zijn verre voorvaderen - soms was de CIA op de hoogte van de meest onzinnige details. Buck twijfelde er niet aan dat ze zelfs wist welk merk van onderbroeken Chuck en hij meestal droegen. Maar of het nu ging om ondergoed, auto’s of iets anders, de gegevens van de CIA werden wel verondersteld juist te zijn.

De flat van Piet bevond zich in een stille straat, op het gelijkvloers van een rijhuis. De rolluiken waren neergelaten. Zijn Panhard was nergens te zien. Buck en Chuck belden aan, en natuurlijk kwam niemand de deur openen. Buck klopte nog eens stevig tegen de rolluiken terwijl zijn collega Chuck de bel ingedrukt hield, maar zelfs na al dat kabaal kwam er nog geen reactie. Snel tastte Chuck met zijn hand de binnenkant van de brievenbus af naar een eventueel verborgen sleutel, maar hij vond niets. Buck zocht in zijn zak naar zijn passe-partout.

Op de eerste verdieping gluurde een oude vrouw van achter het gordijn.
‘Straks belt dat mens de politie nog,’ grinnikte Buck. Dan gaf de vrouw hem een idee. Hij gebaarde haar naar beneden te komen. Ze schrok zich een ongeluk omdat ze betrapt was en liet het gordijn zakken.
Buck had net zijn passe-partout bovengehaald toen de ingangsdeur opendraaide. De nieuwsgierigheid had het gehaald bij het kleine, dikke vrouwtje met de weelderige bos wit haar.
‘Voor wie is het? Voor mijnheer Geluck?’
Buck toverde een slijmerige glimlach op zijn gelaat en liet zijn beste Amerikaanse Frans horen. ‘Wai zain twee Amerikanen en brengen een boodskap voor meneer Keloek die wai hem persoonlijk moeten overandigen.’
‘O, hoe jammer, hij is er niet. Maar u kan het aan mij geven, ik zal het hem bezorgen.’ Nieuwsgierig strekte ze haar hand al uit om een eventuele envelop aan te nemen.
‘No, no, no. Wai moeten et em persoonlijk overhendigen.’
‘Maar dat kan niet! Hij is vanmorgen vertrokken, ik heb het gezien door het...’ Ze aarzelde. ‘... venster. Hij heeft zijn auto helemaal volgepropt met nutteloze dingen. Hij zwaaide naar me toen hij wegreed en hij riep: ‘Ik ga naar een maagdelijk plekje, op zoek naar nieuwe vrienden. Een onbekende wereld zal zich voor mij openen! Ajuus!’ Gewoonlijk laat hij nooit de rolluiken neer, dus vermoed ik dat hij niet van plan is om deze keer vlug terug te komen. Ik vrees dat we hem vandaag niet zullen zien, en de komende dagen ook niet. Zelfs de volgende weken niet!’
‘Eeft hai oe soms kezekd waar hai naartoe kingk?’
‘Geen idee. Zal ik hem een boodschap doorgeven als hij me opbelt? Hij belt me regelmatig als hij weg is want ik houd zijn post bij en ik geef zijn planten water.’

Terwijl ze aan het praten was hadden de mannen zich ongemerkt, stapje voor stapje, in de gang van het flatgebouw gemaneuvreerd. Ze bevonden zich in de gang, met aan hun linkerkant de deur van de flat van Piet. Pratend met de vrouw leunde Buck nonchalant met zijn schouder tegen de deur en met zijn elleboog tegen de klink. En plots tuimelde hij naar binnen. Niet omdat er een gammel, waardeloos slot in de deur stak, ook niet omdat de scharnieren oud en geroest waren, maar gewoon omdat Piet de deur niet had dichtgetrokken.
‘Typisch voor hem!’ riep de vrouw. ‘Hij laat zijn deur altijd openstaan! En ik heb dat niet graag, want mijn kat glipt dan bij hem naar binnen. En vind haar dan maar terug, in die rommel! En ik durf het bijna niet zeggen, maar mijn kat komt regelmatig van bij Piet terug met een muis in haar bek...’
Net op dat ogenblik glipte een dikke rosse poes naar binnen bij Piet Geluck. De vrouw riep nog: ‘Muscadet! Ici! Ici! I-CI!!!’ maar de poes was al verdwenen in de flat.
Verlegen keek ze de mannen aan. ‘Ja... ik houd zo nu en dan van een beetje muscadet. Vooral ’s avonds. En de poes houdt daar ook wel van, dus heb ik ze Muscadet genoemd...’
Dan ging ze binnen in de flat van Piet, op zoek naar haar kat.

Wat een buitenkans. Such an opportunity! Dat hadden Buck en Chuck niet verwacht. Ze wilden de vrouw volgen en naar binnen gaan in de flat, maar bleven totaal verbluft staan in de deuropening. Wanneer zij een ruimte doorzochten lieten ze die gewoonlijk achter in een compleet wanordelijke toestand. Maar het appartement van Piet zag eruit alsof het al minstens drie keer door hun handen was gegaan. Voor hen strekte zich een onwaarschijnlijk grote hoop onmogelijke voorwerpen uit. Het was het onvoorstelbare zichtbaar gemaakt.
Buck en Chuck keken elkaar aan, en roepend van ‘Muscadet! Ici! Muscadet! Muscadet!’ betraden ook zij de flat.

Ze snuffelden in alle papiermanden en vuilnisbakken, in elke kast, in elke lade. De vrouw reageerde: ‘In de schuiven moet je niet zoeken, die kan Muscadet niet openmaken. Maar in de kasten wel. Hij is bijzonder behendig, hij kan alle deuren openmaken, ook kastdeuren.’
Buck en Chuck bleven de laden toch doorzoeken. Ze ontdekten een archief van foto’s dat de levensgeschiedenis van Piet in beeld bracht. Piet met een luier, Piet zonder luier, naakt op een schapenvachtje, Piet op de schommel, Piet net van de schommel gevallen, Piet met een vlieger in zijn hand en een stralende glimlach op zijn gezicht. Maar niet één foto genomen vanuit de kosmos.
Een van de kasten stak vol verouderde computerapparatuur, een andere kast puilde uit van de vreemde, eigenhandig in elkaar geknutselde apparaatjes waarvan het nut niet meteen duidelijk was: een opgevulde spaarpot in de vorm van een haai die echt kon bijten, zodat je nooit meer je spaarcenten kon terugnemen, een ruitenwisser met sproeisysteem voor computerschermen om vettige vingerafdrukken
te verwijderen van onmogelijke lui die met hun handen niet van andermans computerscherm kunnen afblijven. Er was ook nog een toestelletje dat volledig op batterijen werkte - ook het vakje waar de batterijen moesten komen, werkte op deze batterijen. Onder het bed stuitten ze op tientallen modelbouwdozen voor Ferrari’s. Sommige onaangeroerd, de meeste door elkaar gemonteerd, zodat Piet een totaal nieuwe Ferrari-stijl ontworpen had. Een stijl die Enzo Ferrari tot wanhoop zou hebben gedreven, maar iemand als Panamarenko zou laten knarsetanden van afgunst.

In een hoek van de kamer stond een schuiftrombone met drie hoornen: één gewoon naar voren gericht, zoals gebruikelijk, één vertikaal naar boven gericht en één naar achter, helemaal niet gebruikelijk. Dat was het enige voorwerp dat enige interesse kon opwekken bij de jazzliefhebbers Buck en Chuck. Even dachten ze het te jatten, maar de trombone was wel erg groot om ongezien naar buiten te kunnen werken.
Langzaam maar zeker werd het duidelijk dat in deze flat de meest onvindbare spullen konden worden gevonden maar dat er nergens ruimtefoto’s van de Aarde lagen. Blijkbaar had Piet die met zich meegenomen.

Van onder een kast dook een muis op. Ze probeerde de kamer diagonaal te doorkruisen en werd razendsnel achtervolgd door Muscadet. Chuck en de oude dame wierpen zich op de kat. Buck gebruikte de gelegenheid om een jas, die op het bed van Piet lag, grondig te doorzoeken. In de binnenzakken staken sleutels en een portefeuille.
Als een volleerde pickpocket hevelde Buck ze in een oogwenk over naar zijn eigen vestzak. Daarna griste hij ook nog snel de wegenkaart mee die naast de jas van Piet lag, evenals een bruine envelop met postzegels van de United States met een grote stempel ‘urgent - priority’.

Muscadet had zich weten los te maken uit de handen van Chuck en de vrouw en sprintte naar buiten. Allen volgden ze de poes, de gang op. De vrouw sloot de flat goed af zodat de poes niet opnieuw naar binnen kon. Dat kwam goed uit voor Buck en Chuck. Eventuele andere nieuwsgierigen, zoals bijvoorbeeld de mannen van de Franse Sûreté, zouden niet zo makkelijk binnenkomen als zij.
Dat was de spijker op zijn kop. Toen de Amerikanen afscheid namen van de vrouw stonden ze plots neus aan neus met twee Fransen – van de Sûreté Nationale.
Buck proestte het uit. De twee Fransen hadden een bevel tot huiszoeking bij zich, maar hij wist dat ze er niets mee waren. Lachend keerden Buck en Chuck terug naar hun auto. Ze hoorden nog net: ‘Madame… Sûreté Nationale - perquisition.’

Terug in de wagen doorzocht Buck de portefeuille van Piet. ‘De papieren van zijn auto zitten hierin,’ grijnsde hij.
Op de meegegriste kaart stond het begin van een traject aangestreept met gele markeerstift. ‘Hij heeft een aantal snelwegen aangeduid. In de richting van het zuiden,’ zei Chuck. ‘Dat is de richting die het vreemde voorwerp uitging toen onze telescopen het spoor bijster zijn geraakt. Gelooft die Geluck misschien in ufo’s, en meent hij te weten waar er zo’n ruimtetuig kan landen? Je weet maar nooit met die geleerden...’
‘Als we Geluck volgen tot op zijn bestemming, komen we beslist veel meer te weten over die hele geschiedenis. Het zal veel interessanter zijn dan alleen maar de hand leggen op de foto’s. Onze bazen zullen het daar vast en zeker mee eens zijn. Op naar de zon!’ riep Buck en liet dat volgen door een daverend ‘Poewaaaap!’
Instinctief was Chuck onder de zetel van de auto gedoken en stamelde van daaruit: ‘Ho! Heb je dat driehoornig schuiftromboneding toch buiten gekregen!’
‘Zoals je hoort!’ zei Buck. ‘Hier, pak aan! Speel een melodietje! En avant!’ Hij trapte het gaspedaal tot tegen de bodem en vertrok met gierende banden - dat had hij niet mogen doen. De Franse Sûreté merkte zijn haast en trok onmiddellijk de conclusies. Die Amerikanen hadden iets gevonden, en dat hadden ze met zich meegenomen! De mannen van de Sûreté lieten de huiszoeking voor wat ze was en holden terug naar hun auto.

Op de snelweg merkten Buck en Chuck de Franse Peugeot van de Sûreté achter hen op. Wat verderop reed een Golf Gti met Belgische nummerplaat, die werd gevolgd door een Porsche Cayenne met Duitse nummerplaat, op zijn beurt gevolgd door een Alfa Romeo met Italiaanse nummerplaat, en nog verder reed een Seat met Spaanse nummerplaat. Er reed zelfs een Hyundai met Noord-Koreaanse nummerplaat, en op een rode Humvee zat een Chinese nummerplaat.
‘Trek het je niet aan. Wij weten wat we zoeken, wie we zoeken en waar we moeten zoeken...’ Buck lachte van harte. ‘De Sûreté weet wie ze zoekt en misschien zelfs wat ze zoekt, maar ze weet niet waar ze moet zoeken en ze denkt dat wij dat weten. Maar de rest van die hele processie spionnen achter ons weet totaal niet wie ze zoekt, waarschijnlijk weten ze niet eens wat ze zoeken en zeker niet waar ze moeten zoeken. Het enige wat die mannen weten, is dat het iets met ufo’s te maken heeft en dat wij meer weten.’

Het gaf een gevoel van macht. Buck en Chuck keken elkaar slim aan.
‘Losrijden?’ vroeg Chuck.
‘Eens zien of dat Peugeotje ons kan volgen.’
‘Jabbejabbedoeoeoeoe!!!’ Luidkeels brullend vlamden ze weg.
Terwijl Chuck naast hem de driehoornige schuiftrombone exploreerde (weliswaar met de drie hoorns uit het raampje), bedacht Buck hoe debiel deze hele situatie wel was.
‘Zie ons hier rijden,’ zuchtte hij. ‘Een hele processie op zoek naar een ufo. Wie gelooft er nu in die onnozele kwakverhaaltjes? En dat allemaal omdat de enorme radiotelescopen en de ontzaglijk grote
radarinstallaties van Defensie een bizar voorwerp hebben opgemerkt en daar het spoor van bijster zijn geraakt.’

Die radiotelescopen en radarinstallaties waren niet ontworpen om naderende aardsgevaarlijke meteorieten op te sporen. Wel voor andere voorwerpen, zoals vijandige raketten, satellieten en ruimtetuigen. En deze keer hadden de telescopen zeer eigenaardige gegevens gemeten, twee dagen na elkaar. Teveel om een vergissing te kunnen zijn.
Eerst hadden alle personeelsleden van Defensie hartelijk gelachen om de ontdekking. Ze dachten dat het weer een stunt van de Japanners was. Die beschikten over voldoende financiële middelen en technische kennis om totaal nieuwsoortige communicatiesatellieten in een baan om de Aarde te brengen. Vrolijk waren ze met zijn allen op zoek gegaan naar wat de Jappen deze keer weer voor elkaar hadden gekregen.
Maar zelfs na intensief onderzoek konden ze er bij Defensie niet achter komen welk soort voorwerp het was. In geen geval behoorde het tot hun eigen arsenaal aan ruimtetuigen. Het was ook niet iets van andere mogendheden, anders hadden ze dat kunnen identificeren.
Toch waren de metingen zeer duidelijk. Er was een groot voorwerp aanwezig in een baan om de Aarde. Het was zelfs groot genoeg om een bemand ruimtetuig te kunnen zijn. Het draaide op een baan waar zich geen enkele aardse satelliet bevond. Bovendien was het onmogelijk om te achterhalen uit welk soort metaal het voorwerp was gemaakt. Het was een ongekende legering. En, dat was niet alles. Niet alleen ging het om een groot voorwerp in een ongekende metalen legering, maar metingen lieten ook vermoeden dat er een elektronische activiteit plaatsgreep binnen in het ruimtetuig. De activiteit van computers, bijvoorbeeld.

Plots was het ding naar de Aarde afgedaald en Defensie had het gevolgd. Nogmaals werd bevestigd dat het niet ging om een meteoriet, want uit het traject dat het voorwerp aflegde bleek duidelijk dat het intelligent werd bestuurd. Defensie wist precies wanneer het object de dampkring binnenkwam - en dan raakten ze domweg het spoor bijster.
Een binnenvallende satelliet was gemakkelijk te volgen. Een machine die op een ongebruikelijke manier werd bestuurd, maar wel snel en efficiënt, was al een heel stuk moeilijker. Toch had Defensie vooral pech gehad. De apparatuur en de camera’s die het voorwerp volgden vanuit de ruimte hadden ineens te maken gekregen met zeer felle overbelichting en radiostoring. Het was onverklaarbaar. De beelden die Defensie vanaf dat ogenblik binnenkreeg over het gebied dat hen interesseerde, waren verward, duister en ondoorgrondelijk.
Het enige wat Defensie had ontdekt, was dat het voorwerp ergens in Europa was geland. Maar waar in Europa? Hoe klein Europa ook is, het is groot genoeg om eeuwen en eeuwen zoet te blijven als je er een ongekend voorwerp wil opsporen op een ongekende plek.
Vanaf dan leefde binnen Defensie slechts één hoop meer: op het ogenblik van de landing was een satelliet van ESA boven Europa foto’s aan het nemen. Misschien had deze satelliet op een of andere manier beelden opgepikt van de ufo. Misschien stond op die foto’s zelfs informatie over de landingsplaats van het object. Onmiddellijk werd de CIA – Buck en Chuck – erop uitgestuurd om de foto’s te bemachtigen.

oOo


De ochtend nadat hij Piet Geluck had ontslagen had Bornez zichzelf nog steeds niet onder controle. De voorbije weken en maanden waren er teveel vreselijke fouten gebeurd binnen zijn ESA-afdeling. Bornez zat voor zich uit te staren, alleen in zijn kantoor, achter zijn bureau, zijn hoofd in zijn handen. Zijn rechteroog en rechter bovenmondhoek trilden in een soort grimas alsof ze elkaar probeerden te ontmoeten. Maar telkens als dat zou lukken, stootten ze elkaar om onverklaarbare redenen weer af.
Bornez verwachtte telefoontjes vanuit de hogere echelons van ESA. Hij had gepoogd om een sluitend en betrouwbaar verhaal te verzinnen dat kon verklaren waarom het project van Geluck was toegelaten in de satelliet, maar hij besefte dat niemand die fabel zou slikken. Zijn job was hij zo goed als kwijt, wist hij maar al te goed. Weldra kon hij Geluck achterna, de straatstenen op.

Eindelijk biepte de telefoon. Bornez leviteerde een halve meter boven zijn stoel. Stotterend nam hij op. ‘Bo... Bo...Bobornez.’
De receptioniste. ‘Mijnheer Bornez, de Minister van Buitenlandse Zaken voor u aan de lijn.’
‘Wie? Wie?! Zeg je?’
‘De Minister van Buitenlandse Zaken. Hij vraagt om u te spreken,’ herhaalde ze.
‘De Mini mini mini minister? Van Buitennnnlandse Zaken? Goed, geef hem door.’
‘Zeker, mijnheer Bornez.’
De Minister verloor geen moment. ‘Mijnheer Bornez, ik heb deze nacht een gesprek gehad met twee mensen van de CIA. De kwestie waarvoor ik u contacteer is zeer geheim. Begrijpt u?’
Niet alleen de Minister van Buitenlandse Zaken, nu ook nog de CIA! Bornez, die het noorden al helemaal kwijt was, probeerde daar niets van te laten merken. Hij knikte zonder iets te zeggen.
‘Begrijpt u, mijnheer Bornez?’ vroeg de stem aan de andere kant.
Bornez realiseerde zich dat de Minister zijn ja-knikken niet kon zien. Hij antwoordde beleefd ‘ja’ en de Minister ging verder. ‘Gisteren werden door een satelliet van ESA foto’s genomen vanuit de ruimte.’
‘Dada... kloklo... kloklo.... klopt,’ bracht Bornez uit.
’Twee Amerikaanse officieren van de CIA zullen binnenkort bij u langskomen. Ze hebben deze foto’s uit de ruimte nodig voor onderzoek, en we hebben een afspraak gemaakt. Ze mogen vrij over het materiaal beschikken. In ruil hiervoor zullen zij ons de gegevens van hun onderzoek doorspelen.’
Bornez verbleekte. Hoe moest hij de Minister vertellen dat de foto’s… er niet meer waren…?
De Minister vervolgde uitdrukkelijk. ‘Dit is uiterst belangrijk en zeer, zeer geheim, mijnheer Bornez. Bezorg hen alle foto’s, vergeet er niet één. Maar zorg ervoor dat u hen kopieën geeft. De oorspronkelijke foto’s zijn voor Frankrijk. Die zullen door de Sûreté Nationale worden opgehaald. U dient hiermee de belangen van het westen, en vooral deze van Frankrijk. En van de Verenigde Staten krijgen we heel veel geld voor die kopieën – waarmee we eventueel nieuwe projecten van ESA kunnen financieren. Op die manier zorgt u indirect ook voor het voortbestaan van uw baan, mijnheer Bornez.’
‘Kokokoko... kom... kom... komt in orde mijnheer de mini... miniminister... Alstublieft, danku... danku... dankuwel... alstublieft.’

oOo


Twee zware jongens stapten zijn kantoor binnen. Een grote, fors gebouwde en een eerder pezige, ietwat kleinere figuur. Bornez stond recht. De grote van de twee nam het woord.
‘Mijnheer Bornez, hier is ons legitimatiebewijs, we werken voor de CIA. Onze namen zijn Buck Unborn en Chuck Unavez. Uw Minister van Buitenlandse Zaken heeft u zeker ingelicht over het doel van onze missie.’
Bornez staarde hen aan met open mond en antwoordde: ‘De Minister heeft mij zonet opgebeld. Ik ben op de hoogte van uw interessante onderzoek.’
‘Dat is heel vriendelijk,’ zei Buck. ‘Kunnen we de foto’s dan krijgen, mijnheer Bornez. We hebben niet veel tijd.’
‘Mijnheer Buck, mijnheer Chuck… de foto’s zijn er niet,’ stamelde Bornez en hij zette meteen een stap achteruit. ‘Ik... ik... we kunnen er echt niets aan doen… de ruimtemissie is mislukt…’
‘Mijnheer Bornez.’
Bornez kromp in elkaar.
‘Ons om de tuin leiden heeft geen enkele zin. U bent intelligent genoeg om dat te begrijpen.’
Bornez vond het beschamend om een nederlaag van ESA te moeten toegeven aan twee landgenoten van NASA. Maar hij had geen zin in omwegen en deed zijn verhaal. Hij vertelde dat de technici van zijn ESA-afdeling hadden toegestaan dat een piepklein apparaatje en een pietluttig klein programma van enkele megabytes, ontworpen door een zekere Piet Geluck, mee de ruimte in mochten. Hij legde uit dat dit programma te snel was geweest, veel te snel voor de computers van ESA...
‘En u hebt niet gemerkt dat uw computers en programma’s niet aangepast waren aan dat programma van hem??!’ vroeg Buck.
‘U bent gewoonweg verder gegaan met de oude apparatuur terwijl er iets heel nieuws en supersnel voorhanden was?’ ging Chuck verder.
‘Had u de hele satelliet omgebouwd volgens het programma van die Piet Geluck, dan stond ESA nu eeuwen voor op NASA!’

Bornez riep woedend: ‘Maar u kent hem niet! Die Geluck is een verschrikking! Een onnozele fantast! Hij maakt alleen papieren vliegtuigjes en programma’s die computers in de war brengen. Zijn foto’s... zijn foto’s... zíjn foto’s van zíjn experiment... O ja. Díe zijn geslaagd. En daardoor zijn alle andere experimenten mislukt!!’
Het was teveel voor Bornez. Zijn hoofd zat vol bugs en wiegde oncontroleerbaar van links naar rechts.
‘En u moet weten... zijn foto’s... die waren van een ongekende helderheid. Nooit eerder heb ik er gezien die zoveel details bevatten,’ ging Bornez verder.
‘Uiteraard, als zijn programma zo snel werkt zijn er veel details,’ zei Buck.
‘Een erg interessante uitvinding,’ beaamde Chuck.
‘Reden te meer waarom we die foto’s absoluut willen,’ zei Buck. ‘Maar waarom zegt u dat die foto’s helder ‘waren’?’
Bornez wurgde de rest van zijn verhaal door zijn keel. ‘Wij zijn er niets mee, en alle gegevens van onze projecten zijn naar de maan. Foetsie! U begrijpt dat we Piet Geluck op staande voet ontslagen hebben.’
‘Ontslagen? En dan? Zijn foto’s zijn geslaagd. Die hebt u, en die willen wij. Nu. De rest interesseert ons geen moer. Zeker niet die Piet Geluck.’
‘Die foto’s, die heb ik bijna in zijn strot geramd! Hij mocht ze houden!’ brulde Bornez, paars van woede. ‘Ik heb ‘Fuck off!’ geroepen, en dat hij de foto’s kon steken waar ik het dacht. Brullend ben ik hem door de gangen achterna gelopen. Ik had hem als een raket in een baan om Jupiter willen schieten!’ Trillend zeeg Bornez neer achter zijn bureau. ‘Had ik hem niet buitengegooid, dan lag ik nu op het kerkhof!’ knarsetandde hij.
Buck reageerde totaal onverschillig. ‘Misschien was dat beter geweest voor ESA, maar voor ons maakt het geen enkel verschil. Bezorg ons een andere afdruk van de foto’s, en we hebben wat we moeten hebben.’

Waarom was het leven zo wreed? ‘Dat is niet mogelijk,’ zuchtte Bornez. ‘Hij heeft de enige en unieke afdrukken met zich mee. Vlak nadat ze binnenliepen is de computer hopeloos in een knoop geraakt. Onze eigen technici hebben zich ermee gemoeid en door hun toedoen hebben de gegevens nooit de tijd gekregen om centraal opgeslagen te worden.’
De twee mannen keken Bornez aan in een geladen stilte.
‘Wij moeten die foto’s hebben,’ zei Buck.
‘Waar bevinden ze zich?’ vroeg Chuck.
‘G… Ge…’ stamelde Bornez. ‘Daar waar Piet Geluck zich bevindt.’
‘En waar bevindt die Geluck zich nu?’ vroeg Buck. ‘Zijn coördinaten, alstublieft! En snel wat!’
Voor ze vertrokken keken ze nog eenmaal Bornez recht in de ogen.
‘In uw plaats zou ik dat snelle programma van Geluck toch maar eens goed bekijken,’ adviseerde Chuck. ‘Kan een bom geld opleveren!’

oOo


Net voordat Buck en Chuck de parking van ESA zouden verlaten, stopte naast hen een grote limousine Peugeot met twee potige mannen op de voorbank. De Franse Sûreté. Een ondoorgrondelijke Mona Lisaglimlach verscheen op het gelaat van de Amerikanen. Ze knikten de Fransen vriendelijk en vol mededogen toe en reden weg, zelfzeker door de voorsprong die ze hadden.
Later, op de snelweg, reed de Franse Sûreté in tweede positie.
Voorlopig. Want er dook plots een barrage van de Franse politie op.

(wordt vervolgd)



Op deze website kan je het volledige boek lezen.
De gedrukte versie van Camping Martinatuur kan besteld worden door me te contacteren op mijn emailadres.
Alle info met de nodige links vind je op mijn website, www.manonsite.eu.

Camping Martinatuur
Copyright 2008 Manon
manon@skynet.be
www.manonsite.eu
Omslag: Kaisan
ISBN: 9789079457014
NUR: 300
Vertaald naar het Frans onder de titel: ‘Camping Martinature’

Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens