zondag 15 juli 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Manon - Manon - Camping Martinatuur (10/33)
Gepubliceerd op: 30-12-2011 Aantal woorden: 3370
Laatste wijziging: 27-07-2015 Aantal views: 1295
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Manon - Camping Martinatuur (10/33)

Manon


(Waar waren we gebleven? Piet en de ufonauten gaan iets eten in de frituur. Ondertussen zijn nog altijd massa’s spionnen op zoek naar Piet en informatie over een eventuele buitenaardse aanwezigheid op Aarde, de Amerikanen Buck en Chuck op kop…)


De opdracht in verband met de waarnemingen van een verdacht, zogezegd buitenaards ding, zat Buck dwars. Van in het begin was alles domweg verkeerd gelopen. Ruimtefoto’s verdwenen net toen hij er de hand op wilde leggen. De vent die de foto’s had gemaakt en ze bij zich hield was opgelost in het niets. Naar alle waarschijnlijkheid – zeker was het niet - liep hij hier ergens rond, op deze plek waar Buck noch kleren noch wapens kon dragen.

Dan was er nog die idiote concurrentie, een bende geheime agenten die niet wisten wat ze zochten maar wel wisten dat Buck het wist en die probeerden er eerder bij te zijn dan hij. En Chuck had zich de foto van Piet Geluck laten ontfutselen. Daardoor waren alle geheime agenten op de kampeerweide er achter gekomen hoe Geluck er uitzag.
En ze bleven maar toestromen, de zevenderangsspionnen. Ze waren gestuurd door concurrerende naties, of door de leaders van ideologieën en godsdiensten, en stuk voor stuk waren ze even ongeschikt om de missie tot een goed einde te brengen als hijzelf.

Mijmerend keek Buck voor zich uit, en ontwaarde nog twee nieuwelingen die naar de zonneweide kwamen. Ze waren nog maar een uur geleden aangekomen op de camping. Ze hadden hun tent geïnstalleerd en haar met een kwispel en water van een zegen voorzien. Nu betraden ze de zonneweide. Aangezien de enige overblijvende vrije plek zich naast Buck bevond, kwamen ze zijn richting uit.
De mannen waren niet echt getraind als volwaardige geheime agenten, dat zag Buck onmiddellijk aan hun gedrag, maar de dubbelzinnigheid en schijnheiligheid die van hen afdroop compenseerde hun gebrek aan training dubbel en dik. Ze waren trouwens reeds in het bezit van een fotootje van Piet. Buck was niet verrast. Hij wist hoe lang de roomse tentakels waren. Van een dergelijk netwerk hadden de oude communistische regimes slechts kunnen dromen.

De roomsen, een magere man en een andere, de magerste, bezaten ook een grote dosis arrogantie. Ze waren er zodanig van overtuigd dat niemand hun taaltje kon begrijpen - kerklatijn - dat ze niet eens de moeite deden om stil te spreken. Ze wisten natuurlijk niet dat Buck van kindsaf aan had meegezongen in een koor, in een kerkje in El Paso. De Latijnse teksten van de kerk waren Buck in het geheugen gegrift. Pas veel later, toen hij Latijn had gestudeerd, had hij begrepen wat hij gezongen had. In die periode was hij zijn geloof verloren, maar het zanggenoegen was gebleven en was geëvolueerd naar een ware passie voor blues. Later had Buck gemerkt dat Latijn een schitterende basis was van waaruit hij sommige andere vreemde talen kon begrijpen en hij was zich geregeld blijven oefenen in Latijn. Tot nu toe had hij deze kennis nooit kunnen gebruiken voor het werk, maar vandaag, totaal onverwacht, op een naturistencamping, kwam daar verandering in. Buck begreep woord voor woord wat de zwartrokloze roomsen elkaar vertelden. Hij grinnikte toen hij hoorde hoe de mannen een Latijns tintje probeerden te geven aan de moderne woorden die ze nodig hadden.

‘Die ufonoti vallen juist binnen op het moment dat de angst en onzekerheid toeneemt in de maatschappij (dankzij de acties van onze terroristische tegenstanders) waardoor het aantal gelovigen ook weer stijgt. En die ufonoti zullen de bevolking waarschijnlijk een heel ander verhaal vertellen over god dan het onze, een verhaal dat de bevolking zal verkiezen, dat hen meer zekerheid zal geven. In dat geval zal er niet veel overblijven van de theorie die wij prediken. Onze gelovigen zullen massaal vertrekken! En meteen zijn wij onze macht kwijt. Dat zou een ramp zijn,’ zei de magerste, in kerklatijn, wel te verstaan.
‘Je hebt gelijk, maar als we het anders benaderen... Ufonoti kunnen ook een positief gegeven zijn. Ze kunnen zo bedreigend overkomen dat de angst bij de bevolking nog dieper wordt. Dat zou heel zeker een betere kwaliteit aan geloofsovertuiging opleveren.’
‘In dat geval kan het bezoek van buitenaardsen een echte boost betekenen voor onze geloofsuitbreiding, en dus voor onze macht.’
‘We moeten ervoor zorgen dat we als eersten met hen in contact komen.’
‘Niet té stevig van stapel lopen, mijn eerwaarde,’ sprak de magerste. ‘Laten we vooral pogen om die Pietus Gluckus als eerste te ontdekken. Aan de aanwezigheden op de zonneweide te zien zijn we lang niet de enigen die de ufonoti willen omkopen...’ De magerste keek veelbetekenend om zich heen. Na slechts enkele seconden sloeg hij rood uit tot achter zijn oren.
‘Een zonneslag?’ vroeg Buck zich af. ‘Zo snel kan de warme zon toch niet toeslaan?’ Hij keek iets beter en merkte dat niet de zon verantwoordelijk was voor de rode huid van de magerste, maar een verlegenheid, veroorzaakt door een plaatselijke verstijving in zijn
onderste regionen.

‘Wat zie ik daar?’ kraakte de stem van de magere.
De magerste werd nog roder terwijl hij zijn blik over nog meer mannenlijven liet dwalen. ‘... je weet toch, mijn geneigdheden… als mijn spul een bloot mannenlijf ziet verrijst hij onmeedogenloos uit
zijn hangende bestaan.’
‘Wij zijn priesters. Getraind in het bedwingen onzer lusten.’
‘Ik bedwing mijn lusten, maar mijn kwispel trekt zich daar niets van aan. Die heeft een zelfzoekende kop, als van een cruise missile. Hoe meer ik den dezen hier bedwing, hoe steviger hij weerstand biedt. Een hele weide vol blote mannen is van het goede een beetje teveel. Ze zijn stuk voor stuk zo mooi, zo jong, zo ontzettend gespierd. Ik ben in de hel en de hemel tegelijk terechtgekomen.’
‘Je bent nergens terechtgekomen. Je staat met je voeten op aarde en je moet je werk doen. Voor mij is het ook erg moeilijk...’
‘Echt? Heb jij daar ook last van?’ De magerste volgde de blik van de magere. Die volgde met bijzondere interesse Martine die haar fris gewassen slipjes op een wulpse manier te drogen hing in de tuin voor de frituur.
‘Je hebt gelijk,’ zei de magerste. ‘We leven in zonde. Maar het is de wil van god dat wij ons hier in deze hemel bevinden.’
Buck schoot in een oorverdovende lach. De magere en de magerste sprongen een halve meter hoog de lucht in, een bewijs dat levitatie niet enkel tot het domein van de yoga behoort.
‘Voorwaar, voorwaar, ik zeg u!’ riep Buck. ‘Wat god heeft rechtgezet zult gij niet slap laten worden! Per omnia secula seculorum! Amen! Allez-lul-ja!’

Chuck, die van het hele gedoe geen bal begrepen had, stootte Buck aan en wees naar nog twee andere nieuwkomers. Twee mannen met baarden en lange vlechten. Ze waren bijna zoals het hoorde: naakt.
Maar op hun hoofd droegen ze een klassieke zwarte hoed. En onvermijdelijk was er nog een ander voorspelbaar detail zichtbaar: geen voorhuid rond de penis. Ze waren besneden, de joodse rabbis.
Zoals het hoorde.
‘Kom,’ zei Buck. ‘Zo meteen duiken er nog een paar Arabieren op. En wie weet enkele Taliban die hun teelballen vervangen hebben door in hun scrotum genaaide granaten. Ze zijn ertoe in staat zichzelf en de hele camping op te blazen. We kunnen niet langer wachten. We zullen de hele camping afkammen. Tot op de millimeter. Nu meteen.’
Buck en Chuck liepen de weg af zonder nog aandacht te besteden aan hun concurrenten.
‘We moeten de eersten zijn die Geluck vinden,’ zei Buck.
Chuck knikte. ‘Toch nog snel een hamburger, en passant?’ stelde hij voor toen ze voorbij de frituur kwamen.

oOo


Zodra Buck en Chuck zin kregen in een hamburger, vonden alle anderen op de zonneweide ineens ook dat de tijd rijp was voor een hapje. In enkele tellen was het frituurtje te klein geworden. Martine baadde in het zweet. Ze liep af en aan, bestellingen opnemen, bestellingen bezorgen, eten bereiden, afrekenen. Ze was zo druk bezig dat ze niet eens meer kon zingen.
De Amerikanen hingen aan de bar. Chuck bestudeerde posters aan de muur. Affiches van naturistencampings elders in de wereld, kiekjes van glimlachende naturisten bij hun caravan, bij hun tent, op hun paard, bij hun barbecue. Er waren zelfs foto’s, genomen vanuit de ruimte.
Dat was tegenwoordig een rage, dergelijke foto’s ophangen, zeker wanneer ze de plaats waar men woonde in beeld brachten. De ruimtefoto’s van de frituur waren bedolven onder de spatten mayonaise en ketchup. Ze hingen hier blijkbaar al een hele tijd.

Zonder remmingen observeerde Buck het bewegende lijf van Martine. Ze verschilde helemaal van de slanke Miss-World-meisjes en de modieus opgemaakte poppetjes die hij gewoonlijk om zich heen had. Martine liep glimlachend rond met een welgevormde buik, ronde heupen en ronde billen, alsof zoiets kon en mocht, alsof een mollig buikje aanvaardbaar en toegelaten was. Ze gedroeg zich ook niet secundair, vriendelijk en instemmend onderdanig zoals het mooie meisjes betaamt, maar haar glimlach zag er wel echt uit. Martine organiseerde de activiteiten in de frituur en zodra ze de tijd had zong ze opgewekt mee met de radio. Haar heldere stem beviel Buck ten zeerste.

Plots zag Buck de blik in de ogen van Martine veranderen. Iemand kwam de frituur binnen en ze riep hem een warme goeiedag toe. Het was de kale knikker. Vrolijk kwam hij naar binnen, opgewonden ging hij recht op haar af.
‘Ze heeft sympathie voor die kaalkop,’ fluisterde Buck tegen zijn metgezel. Hij vond die kerel vies en wendde zijn hoofd af.
‘Je hebt het druk, zeg,’ hoorde hij de kale zeggen. ‘Ik kwam even kijken of je nog een zakje friet voor me hebt, maar…’
‘En hoe ga je betalen?’ onderbrak Martine hem. ‘Je kan frieten krijgen, maar ik kan best wat hulp gebruiken.’
‘Prima! Zeg maar wat ik moet doen!’
‘Begin hiermee.’ Ze stopte een vaatdoek in zijn hand. ‘La plonge!’
Piet dook meteen in de afwasbak.

‘Twee grote friet en een bord sla!’ sprak iemand droog, van de andere kant van de toog.
Martine draaide zich om en keek recht in het gezicht van de twee magere figuren die enkele uren geleden waren aangekomen op de camping. Rond hun hals droegen ze een hele resem talismannetjes met afbeeldingen van ontelbaar veel heiligen. Het was duidelijk dat de mannen van het Vaticaan kwamen en heel even vroeg Martine zich af of het zweet dat op hun voorhoofd parelde gewijd water was. Ze wilde ook vragen of de mannen er niet beter aan zouden doen om elk een dubbele portie te bestellen, de beste manier om wat aan hun anorexia nervosa te doen. Ze kon nog net haar lach inhouden en antwoordde:
‘Twee grote sla en een bord friet.’
‘Twee grote friet en een bord sla,’ herhaalde de magerste sec.
Buck siste haast onhoorbaar: ‘Vraag en het zal u worden gegeven. Amen. Halleluljah.’

‘Twee worsten, maar met kalfsvlees,’ klonk meteen daarna een zangerige stem.
Buck tikte met zijn elleboog tegen Chuck. ‘Daar hebben we de islamieten!’
‘Heb ik niet,’ antwoordde Martine.
Ogenblikkelijk sloeg de islamiet groen uit van woede. ‘Hoezo, dat heb je niet!’ bulderde hij. ‘Niet het minste respect voor andere culturen, dát heb je! Je verkoopt alleen maar varkensvlees, alsof iedereen varkensvlees wil! Wij eten daar niet van! Varkens zijn onreine dieren! Basta!’
De blik die toen van Martine uitging zou de mannen de rest van hun leven bijblijven. ‘Ik heb geen varkensvlees, geen konijnenvlees, geen kalfsvlees. Niks geen vlees!’ sprak ze duidelijk. ‘Wij zijn geciviliseerd, dus vegetarisch! Dat kan niet gezegd worden van velen die de liefde prediken met een heilig boek onder hun oksel en hun vingers vol bloed!’ Daarop draaide ze haar brede rug en haar dikke kont naar de verblufte frituur.

Nu Martine de verbinding had gelegd tussen heilige boeken en vingers vol bloed, voelde ook de magere priester zich alsof hij persoonlijk was aangesproken. Hij sloeg eveneens groen uit. Samen met de islamiet ging hij als in een duo over tot klappertanden, niezen, hoesten, rochelen en...
Dat scenario kende Martine. ‘Verlaat onmiddellijk de frituur en zorg ervoor dat je de wc’s op tijd bereikt, anders laat ik je de hele camping schrobben!’ riep ze. Van over haar schouder voegde ze er nog aan toe dat als de mannen kaasburgers of groentenburgers wilden, ze die konden krijgen, maar dat ze zich voor het overige aan de regels van het huis dienden te houden. En als ze absoluut vlees wilden eten, dan konden ze naar de stad gaan. Of het zelf bereiden op hun eigen barbecue. Ze had er stilaan genoeg van dat klanten steeds weer protesteerden tegen dat vegetarische eten. Ze runde een vegetarische naturistencamping, en daarmee basta.

Noch de priester noch de imam dachten eraan de stad in te trekken om vlees te eten. In paniek kneep de imam zijn billen tegen elkaar.
‘Toiletten!’ gilde hij. ‘Ik moet de pot op! De pot op!!!’
Ook de priester greep naar zijn billen. Zij aan zij holden de heilige mannen naar buiten, met verstomming nagegaapt door hun assistenten.
Martine, nog altijd kwaad, draaide de muziekinstallatie hoger en meteen vulde Arno’s rokerige stem de hele tent. Woord voor woord zong Martine met hem mee, en vooral hard genoeg: ‘Open your eyes et bouge – bouge tes fesses…’

Schokkend van het lachen stond Piet de vaat te doen. De klanten vermaakten zich kostelijk. Alleen in de hoek van de frituur zat iemand die niet deelnam aan de algemene hilariteit: de kortgestuikte, het ventje met zijn bologen. Hij was al aan zijn vierde portie friet toe, zijn borsthaar hing vol klodders mayonaise, en hij leek niets te begrijpen van wat er om hem heen gebeurde. Er was iets duisters aan die vent. Niets mysterieus, maar iets waar je ongemakklijk van werd. Hij paste niet in dit hele gebeuren. Rond die onwelriekende kerel hingen niet alleen een dozijn kettinkjes met medaillons, maar ook de stank van een bijzondere onberekenbaarheid. En naast zijn bord lag alweer dat grote, scherpgeslepen slagersmes.

oOo


De magerste roomse figuur en de assistent van de weggelopen imam keken elkaar recht in de ogen.
‘Rare chefs hebben wij,’ glimlachte de islamiet.
Ze schoten in de lach, trakteerden elkaar op een goed glas donker bier en wandelden ermee naar een vrijgekomen tafeltje op het terras voor de frituur.
‘Als islamiet val je best mee,’ zei de magerste terwijl hij zijn blik liet dalen. ‘Alleen jammer dat je een voording mist...’
‘Zoals jouw Jezus!’
‘Dat is waar. Hij was trouwens een Jood! Zeg, tussen ons, wist je dat het relikwie van zijn heilige voorvelletje op verschillende plaatsen ter wereld vereerd wordt? Jezus moet een enorm aantal voorvelletjes gehad hebben. Ongeveer vierhonderd. Een soort mirakel!’
De islamiet kwam niet meer bij van het lachen.
Op dat ogenblik bezorgde Martine hun bestellingen. Vol blijdschap en eetlust stortten de twee zich eerst op hun eigen portie en daarna op die van hun weggelopen bazen.

oOo


Vervolgens bezorgde Martine de twee Amerikanen hun groentenburgers. Even staarden Buck en Chuck de dingen aan, zonder goed te begrijpen wat het was, dan namen ze enkele happen en er bleef niets meer over. Buck en Chuck vonden er niks aan. Geen vlees, geen eten, besloten ze, en ze keerden terug naar hun tent met het verheugende vooruitzicht om hun nieuwe kookstel uit te testen bij het bereiden van een échte maaltijd.
Hun vettige steaks sudderden op de barbecue en Buck en Chuck spraken een eerste fles wijn aan. Ze hielden de omgeving nauwlettend in de gaten en werden op hun beurt nauwlettend in de gaten gehouden door diezelfde omgeving. Zodra de Amerikanen de frituur verlaten hadden, was de helft van de andere gasten ook opgestaan, zeer tegen hun zin hun portie eten onaangeroerd achterlatend.
Algauw kregen die mannen door dat de Amerikanen helemaal niet naar Piet Geluck op zoek gingen maar dat ze zich bezighielden met hun hongerige magen. Opgelucht haalden de spionnen weer adem. Ze wisten wat hen te doen stond. De Amerikanen toonden het voorbeeld? Zij moesten het volgen. Massaal keerden ze terug naar de frituur waar ze exact hetzelfde gingen doen als de Amerikanen bij hun barbecue: eten en drinken.

‘Er moét ergens een plaats zijn waar die Geluck zich verbergt,’ mijmerde Buck terwijl hij de steaks omdraaide. ‘We hebben nergens iemand gezien met een blonde, langharige krullenkop. Niet bij het zwembad, niet in de frituur, niet tussen de tenten. Nergens. Maar zo’n opvallend iemand kan toch niet onopgemerkt blijven...’
Chuck nam een biefstuk en kwakte hem neer op het bord van Buck.
Buck nam een grote hap en spuwde die meteen weer uit. ‘Afschuwelijk! Haar op mijn vlees!’
Toen zagen ze het.
De lucht hing vol fladderend haar en krullende haarlokken.
De krullen waren blond.
‘Het komt van daar,’ wees Chuck. ‘Die groene tent…’
‘Het misbaksel,’ knikte Buck. ‘Dat is de tent van…’
‘Precies. Van die kale knikker.’
Buck begon tegelijk te lachen en te vloeken, alsof hij Piet wilde feliciteren voor die slimme, onverwachte zet in een schaakspel en hem evenzeer wilde uitschelden voor smerige bedrieger. ‘Godverdomme! Miljaardenondedju! Wat een ezels zijn we geweest!!! Blonde krullen! De valsaard! De geniepigaard! De leperd! Hij heeft zich kaalgeschoren!!!’
‘Met baard en al?’ vroeg Chuck.
‘Hij had geen baard. En nu heeft hij helemaal géén haar meer. Het is een vermomming! Die kaalkop is Piet Geluck!’
‘We hébben hem!!! En al zijn informatie over buitenaardse invasies!’

Alle collega-spionnen waren teruggekeerd naar de frituur. De kust was veilig. Toch bleef Chuck op de uitkijk staan bij de steaks. In het schemerduister holde Buck over het gras naar de slordig opgetrokken tent.
Ongezien kroop hij naar binnen. Hij doorzocht de slaapzak en de rugzak van Piet. Hij doorsnuffelde de tent tot in zijn kleinste uithoeken.
Hij vond toiletgerief, handdoeken, een radio, stripverhalen, kleren, flessen wijn. Een gebruiksaanwijzing om een tent op te zetten – in het Chinees.
Hij maakte het grondzeil los en zocht naar geheime holtes in de grond.
Niets.
Hij doorzocht de ruimte tussen tentzeil en binnentent.
Niets.
Dat kon niet waar zijn. De foto’s lagen niet in de auto van Piet. Ze lagen ook niet in zijn tent en hij droeg ze beslist niet met zich mee op zijn blote lijf. Waren er misschien helemaal geen foto’s? Helemaal geen ufo’s? Zou het kunnen dat Piet alleen maar naar deze afgelegen plek was gekomen om te rusten en vakantie te nemen? Had hij zich kaalgeschoren omdat hij dat graag wilde, en niet om achtervolgers te misleiden? Het leek Buck niet totaal onmogelijk. Maar daar zouden ze in Washington natuurlijk geen oren naar hebben.

Buck kreeg er stilletjes zijn buik van vol, van al dat spionagegedoe. Foto’s had hij niet gevonden, ufo’s had hij niet gezien. Wel had hij ontdekt wie Piet Geluck was, en nog veel belangrijker, hij had vooral ontdekt dat het leven op een naturistencamping in Zuid-Frankrijk heel aangenaam kon zijn. Het kostte hem geen enkele moeite om de te volgen strategie verder uit te stippelen... privé-gesprekken met Piet waren niet nodig. De volgende dagen zouden Chuck en hij Piet van nabij observeren, op de zonneweide, in het zwembad, in de frituur. Op die manier zouden ze ten volle kunnen genieten van de omgeving. En van de zelfgebakken stukken vlees.
Vlees! Buck kroop weer uit de tent.

Merels zongen een laatste avondlied, krekels riepen luid en zouden dat de hele nacht blijven doen. In de vallende duisternis zocht Buck zijn barbecue weer op. Zijn gedachten gingen terug naar het moment waarop hij en Chuck de opdracht hadden gekregen om foto’s op te sporen die zich bij ESA zouden bevinden. Foto’s waarop een ufo te zien zou zijn... in een eerste stadium wilde Buck die vinden in de flat van Piet...


(wordt vervolgd)



Op deze website kan je het volledige boek lezen.
De gedrukte versie van Camping Martinatuur kan besteld worden door me te contacteren op mijn emailadres.
Alle info met de nodige links vind je op mijn website, www.manonsite.eu.

Camping Martinatuur
Copyright 2008 Manon
manon@skynet.be
www.manonsite.eu
Omslag: Kaisan
ISBN: 9789079457014
NUR: 300
Vertaald naar het Frans onder de titel: ‘Camping Martinature’


Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens