woensdag 24 januari 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Manon - Manon - Camping Martinatuur (3/33)
Gepubliceerd op: 10-11-2011 Aantal woorden: 4814
Laatste wijziging: 27-07-2015 Aantal views: 1517
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Manon - Camping Martinatuur (3/33)

Manon


(Waar waren we gebleven? O ja. Piet, ontslagen bij ESA, heeft zijn tentje opgeslagen in een naturistencamping. Na hem hebben tientallen koppels geheime agenten dat ook gedaan. Vanuit hun ufo hebben de ufonauten een hele nacht lang het aardse toneeltje geobserveerd. Ze snappen er geen iota van…)


Vanuit de donkerte kwamen takken en stammen van bomen langzaam te voorschijn. En dan ging het ineens heel snel. Elke seconde veranderde het landschap. Eerst was alles helder, vervolgens ontstond
een laaghangende, zachte waas. Die trok op wanneer de zon boven de horizon uitsteeg. Vogels begeleidden het hele gebeuren met hun vrolijke ochtendzang. Het was wonderlijk hoe ze allemaal ineens van zich lieten horen, en hoe tegelijk ook bomen, takken, struiken, bossen en velden in één klap de nieuwe dag uitstraalden. Voor de zoveelste keer genoten Zhîm en Râar van de doorkijkwanden van dit ruimtetuig, waarmee ze zo makkelijk het leven op ongekende planeten konden gadeslaan.
Die observatie was prettig, maar het kon nog beter. Naar buiten wilden ze, zich begeven in het avontuur van deze nieuwe planeet.

Râar zocht in de computer naar de samenvattende analyse van de voorbije nacht en las de conclusie voor aan Zhîm:
‘Recentelijk geobserveerd menselijk gedrag ‘niet rechtstreeks vijandig’. Toch blijft het gedrag gevaarlijk. Het plots opdagen van zoveel mensen, in een structuur met uitsluitend mannen, twee per twee, is bijzonder verdacht.
Ruimtetuig onder geen enkele voorwaarde verlaten, ook niet wanneer het echt nodig is.’


‘Niet naar buiten gaan, zelfs niet als het echt nodig is? Hoe is dat mogelijk! We zouden helemaal niet opvallen tussen al die mannenkoppels, wij zijn toch ook een duo, of niet soms?’ vroeg Zhîm.
‘Trouwens al die koppels, ze zijn wel komen opdagen, maar ze hebben de hele nacht lekker geslapen en ze slapen nog altijd. Ze hebben dit ruimtetuig niet één blik gegund. Ze zoeken op geen enkele manier contact met ons en ze hebben ons niet eens geobserveerd. Wat zegt de computer daarvan?’
Râar grijnsde. ‘Niks.’
‘Volgens mij betekent het dat we geďntegreerd zijn in het landschap en dat we niet opvallen.’ Zhîm bestudeerde het kampeerterrein en zag hoe mannen geeuwden, hun ogen openden, hun verstijfde ledematen strekten. ‘Ah! Ze worden wakker... ze zien er niet erg schrikwekkend uit. Ze geven niet de indruk dat ze zich voorbereiden op een gevecht,’ glimlachte hij.
‘Nee, ze dragen geen wapens en hun naakte lichamen vertonen geen sporen van schrammen, blauwe plekken of wonden... Geen litteken te bespeuren.’
‘Ze dragen geen wapens...’ onderbrak Zhîm. ‘Heb je er al aan gedacht, Râar, dat als wij uit Khasrol13 stappen, we geen wapens zullen kunnen meenemen? Want de mensen dragen er ook geen.’
‘Ach, dat geeft niet. Ik ben niet bang. We zien er niet zo buitenaards uit. We hebben geen drie benen en twee hoofden. Ze zullen ons waarschijnlijk negeren.’
‘We zullen het dus riskeren, dat uitstapje tussen de mensen.’
‘Met alle plezier.’ Râar lachte. ‘We zullen ons wagen tussen de agressieve autochtonen, in de agressiefste soort van de hele kosmos. En zonder wapens! Maar eerst treffen we wel andere
voorzorgsmaatregelen.’

Uit een speciale kast haalde hij twee flesjes die bijzondere organismen bevatten. Wanneer men er de juiste dosering van nam, pakten ze onmiddellijk het taalcentrum van de hersenen aan. De cellen
in de hersenen werden gestimuleerd in hun activiteit zodat er uiterst snel nieuwe neuronenverbindingen werden aangemaakt.
‘Taalnanoben! Denk je dat het zal lukken om met de mensen van de Aarde in gesprek te raken?!’ vroeg Zhîm.
‘Als ze een taal spreken en gesprekken kunnen voeren, tenminste,’ antwoordde Râar.
‘Ze zien er niet bijster taalvaardig uit, dat geef ik toe. Ze gapen elkaar aan met de domste uitdrukkingen op hun gezichten.’
Râar reikte Zhîm het flesje aan. ‘Als we de druppels nu inslikken, zijn ze over 75 seconden actief.’
Ze gingen nog even zitten om de nanoben de tijd te geven in werking te treden.
‘Nanoben. Dat kennen ze vast nog niet op deze planeet,’ meende Zhîm.
‘De meest elementaire levensvormen, zoals microben en bacteriën, zullen ze wel al ontdekt hebben. Maar nanoben, die vorm waarbij de grens tussen ‘leven’ en ‘niet-leven’ vervaagt, zijn natuurlijk nog niet gekend op een planeet die psychologisch nog zo primitief is.’

De 75 seconden waren snel voorbij en Zhîm voelde er zich klaar voor. Zijn huid tintelde, hij had een mooie, gezonde kleur, zijn brein bruiste van enthousiasme. Râar begon te vermoeden dat hij zijn vriend, met al zijn verlangens, goed in bedwang zou moeten houden. Of dat zou lukken was nog maar de vraag. Een leiband was in de ufo niet voorhanden.

oOo


Terwijl de ufonauten in Khasrol13 beslisten dat ze zich naakt en zonder wapens te dragen onder de mensen zouden begeven, voerden de meeste mannen op de camping gesprekken over hetzelfde onderwerp. Moeilijke gesprekken over moeilijk liggende onderwerpen. Ook bij de Amerikanen laaiden de emoties hoog op. Buck en Chuck zaten met de tanden op elkaar naar elkaar te sissen binnen de beschutting van hun tentzeil.

‘Als jij denkt dat ze mijn machien te zien zullen krijgen!’ siste Chuck.
‘Beslist,’ siste Buck terug. ‘En zij gaan jou trouwens dat van hen in alle glorie tonen! Doe je vest en je broek uit. Nu onmiddellijk. Dit is een bevel!’
‘Ik dien mijn ontslag in! Stop me desnoods in de gevangenis! Een geheim agent in zijn blootje, dat is ongezond. Ik wil naar huis!’
‘Ontslag niet aanvaard. En als je nu niet je broek en je vest uittrekt doe ik het voor jou. Begrepen?’
Chuck wist dat Buck het zou doen. Hij kende zijn vriend en collega maar al te goed. Traag en met tegenzin begon hij aan zijn strip-tease.
‘Voor jou is het niet moeilijk om bloot te lopen,’ mopperde hij. ‘Jij bent zo behaard dat we niet eens kunnen spreken over naaktheid, zelfs niet als je je kleren uit hebt. Je bent net struikgewas. Ik ben er zeker van dat je in het leger nooit je camouflagevest hebt aangetrokken. Je moest je maar uitkleden en iedereen dacht dat ze het struikgewas zagen. Terwijl ik... zelfs een lintworm heeft meer haren!’
‘Je hebt een dikke laag haar op je hoofd,’ zei Buck. ‘Goed, ben je klaar?’
‘Ik ben net een asperge met een pruik op,’ wierp Chuck tegen.
‘Een goed gebruinde asperge dan toch.’ Buck wilde de tent openritsen. Chuck hield hem tegen.

‘Eerst je wapenholster uitdoen,’ zei hij.
‘Wat? Ben je gek?! Een geheim agent zonder wapen is als een circus zonder clown!’
‘Ik weet wie er als een clown zal uitzien als hij met zijn wapens op een naturistencamping rondloopt,’ fluisterde Chuck.
‘Niemand zal het merken. Mijn haren bedekken de wapenholster helemaal.’
‘Heb je de uitbaatster gezien? Ze is niet makkelijk om de tuin te leiden. En ik denk niet dat zij een stel gewapende cow-boys op haar camping zou verdragen. We zouden op staande voet van het terrein gezet worden. Haar naam is niet voor niets ‘La Gaillarde’, knoop dat goed in je hersentjes. En trouwens, als je wilt dat die Geluck onmiddellijk doorheeft wie we zijn, ja, dan kun je met je pistool
rondzeulen.’
Die uitleg begreep zelfs een zevenderangs geheim agent als Buck.
‘Al die andere geheime agenten zullen evengoed hun wapens thuislaten,’ vervolgde Chuck. ‘And, old chap… don’t forget… Don’t take your guns to town, son, leave your guns at home, son… Don’t take your guns to town.’
‘All right, Johnny Cash, all right. You won.’

De beide Amerikanen kwamen hun tent uit. De ene onwennig rondkijkend omwille van de afwezigheid van zijn revolvers, de andere blozend en verlegen omwille van de aanwezigheid van zijn bloot piemeltje (zedig afgedekt door een hand). Elk van hen hield een lege kruik in de hand die ze wilden vullen met water.
‘En man, oogjes open. Zelfs je eksterogen,’ zei Buck. ‘Jij hebt de foto van Geluck. Als je hem ziet zeg je het meteen.’
De two american guys begaven zich op verkenning in de wijde wereld, binnen de omheining van de naturistencamping.

oOo


Ondertussen was de incubatieperiode van de taalnanoben verstreken. Râar en Zhîm openden de deur van het ruimtetuig. Het enige wat ze bij zich hadden waren twee kruiken. Ze hadden gemerkt dat alle mensen zo’n ding met zich meedroegen en er een bepaalde richting mee uitgingen en ze hadden besloten om net hetzelfde te doen. Ze stapten door de deur van hun ruimtetuig en stonden op het gras.
Planeet Aarde voelde fris aan in de ochtend. Koele, vochtige lucht streelde hun naakte lichamen en tonifieerde hen helemaal.
Voorzichtig zetten Râar en Zhîm enkele stappen in het gras, weg van hun ruimtetuig, in de richting van een verhard aarden weggetje. Onderweg struikelde Zhîm en belandde hij languit tegen de vlakte. Hij vloekte luid – in zijn eigen buitenaardse taal, uiteraard. Geschrokken duwde Râar zijn hand op de mond van Zhîm.
‘Dommerik! Zo luid niet! Iedereen kan ons horen!’
Binnensmonds verder vloekend keek Zhîm om zich heen. Râar had gelijk. Even verder stond een mens bij zijn huis op wieltjes en hij staarde hen aan. Zich onopvallend tussen de mensen begeven was niet meteen geslaagd!

Ondertussen wees Râar naar de grond, naar dat waarover Zhîm gestruikeld was. Twee lange, behaarde, witte melkbenen staken uit de tent die tussen de struiken opgesteld was. Uit die tent rees nog steeds een luid gesnurk op.
‘Dat is die bizarre figuur van gisterenavond, met zijn bizarre tent!’ fluisterde Zhîm.
‘Het is duidelijk dat die twee bij elkaar horen,’ zei Râar.
‘Die kerel is al even bizar tijdens zijn slaap! Hij heeft niet eens gemerkt dat ik over zijn benen struikelde!’ Zhîm krabbelde recht.
Op het verharde pad begon Zhîm plots te huppelen en te springen, als popcorn in een te hete pan.
‘Zhîm! Doe niet zo gek!’ riep Râar.
‘De aarde voelt veel te hard en te scherp aan onder mijn blote voetzolen,’ antwoordde Zhîm. ‘Ik kan niet anders dan huppelen!’

Pierre Buffet, een man van rond de vijftig die wat verderop bij zijn caravan stond, had Râar en Zhîm gadegeslagen vanaf het moment dat ze Khasrol13 verlaten hadden. Er speelde een lachje om zijn mond. Waarom waren al de mensen die voor de eerste keer een naturistencamping bezochten altijd zo onhandig, klungelig en verlegen? Die twee mannen waren zelfs zodanig het noorden kwijt dat ze
struikelden over het eerste het beste paar benen dat uit een tent stak! En dan gingen ze met hun blote voeten op het harde pad, met voetzolen die het absoluut niet gewoon zijn om de blote aarde onder zich te voelen... het was zo grappig om te volgen hoe die kerels probeerden de scherpe steentjes te ontwijken. Net of ze de funny walk van de Monty Python uitprobeerden.
Waarschijnlijk waren ze twee intellectuelen met minstens twintig diploma’s op zak en met een hooggeplaatste, belangrijke baan - dat kon je zo aflezen van hun gezichten en hun intelligente blik. Pierre vond het altijd heel bijzonder wanneer dergelijke mensen kozen voor het eenvoudige, naakte leven van de naturist. Het was een aanwijzing dat zelfs intellectuelen soms - met de nadruk op ‘soms’ - ook intelligent konden zijn. En natuurlijk, wie dag in dag uit binnen de besloten ruimten van kantoren en vergaderzalen intellectuele arbeid verrichtte zag er wel intelligent uit, maar kon haast niet anders dan zich onwennig gedragen als de kleren eens uit gingen.
Pierre grinnikte. Zelf bezocht hij al dertig jaar naturistencampings. Hij hield van de frisse lucht op zijn huid, de dauw onder zijn voeten, de zon om hem op te warmen. Zijn blote lijf en het blote lijf van anderen was voor hem het natuurlijkste van de hele wereld. Wie daar moeite mee had was beslist seksueel geobsedeerd, vond hij.

Wat verder van de caravan van Pierre stonden twee mannen rek- en strekoefeningen te doen. Het ging er van ‘Eins! Zwei! Eins! Zwei!’ en soms een draai. Na een nacht slapen in de Porsche Cayenne waren hun spieren helemaal verkrampt. Eén van de twee hield de ‘Eins-zwei’ niet lang vol. Hij rilde, klappertandde, niesde, hoestte, rochelde en zocht tenslotte de liggende positie op, vlak bij zijn emmertje.

Dichter bij het sanitair blok lagen twee mannen het liedje te zingen van ‘La-la-la-la Looola. Girls will be boys and boys will be girls.’
De twee blauwhuidige, intellectuele klungels wierpen al onmiddellijk een ongeruste, verwilderde blik in de richting van het duo.
Lui in elkaars armen liggend, lekker kauwend op een stokbrood met een brok camembert, onderbraken de zangers heel even hun liedje om hartelijk ‘Bonjour!’ te roepen.

Buck en Chuck kwamen gezellig babbelend uit de douches.
‘Heb je gemerkt hoeveel mensen ons volgen? En niet alleen met hun ogen!’ grinnikte Buck. ‘Wij naar de douches, zij naar de douches.’
‘Wij uit de douches, zij stoppen ook met douchen. En daar, tussen de struiken. Al die kerels met hun verrekijkers.’ Chuck wees ze aan. ‘Het lijkt wel alsof ze ons bestuderen. Net een bende antropologen.’
‘Zou het kunnen dat wij iets weten dat zij niet weten?’ lachte Buck.
Hij lette niet op waar hij liep en botste bijna tegen Râar en Zhîm die naar de douches gingen. Wat een bleekhuiden waren dat! Twee bleekblauwe bleekscheten die nog nooit van hun leven de zon gezien
hadden!
‘Die moeten het erg koud hebben, zelfs hier onder de zon,’ zei Chuck. ‘Hun huid heeft een blauwe glans! Denk je dat ze ook geheime agenten zijn?’
‘Alleen als ze van het hoge noorden komen, dan zijn het eskimoagenten. Ofwel behoren ze tot geheime agenten van een nog lagere klasse dan de onze. Ik ken de gezichten van al onze collega’s, van onze concurrenten en van onze superieuren, maar hun gezichten heb ik nog nooit gezien.’
Buck had een merkwaardig goed visueel geheugen. Eén keer per maand bestudeerde hij een hoop foto’s. Honderden gezichten kende hij uit het hoofd, van gangsters, van terroristen, en vooral van veel,
van heel veel geheime agenten. Het was belangrijk voor zijn job. Zijn leven kon ervan afhangen.
‘Die bleekscheten zien eruit alsof ze het sanitair niet vinden,’ zei hij.
Chuck zag ook hoe de twee vreemde mannen stonden te aarzelen. ‘Zullen we hen helpen? Dan weten we meteen welk vlees we in de kuip hebben.’

‘Goed.’ Buck liep in de richting van de klungels. ‘Water? Willen jullie water?’ Hij wees uitdrukkelijk naar de twee lege kruiken van Râar en Zhîm en naar het sanitair.
Niet begrijpend staarden Zhîm en Râar terug. Ze stonden woordeloos.
‘Waarom begrijpen we hen niet?’ stamelde Zhîm. ‘Die taalnanoben... zijn die wel in actie geschoten?’
‘Even geduld. De nanoben hebben even de tijd nodig om verbindingen aan te leggen.’
‘They don’t understand,’ zei Buck. ‘Ze kennen geen Engels.’
‘Misschien in het Frans? Zal ik het eens proberen?’ Met zijn beste en mooiste Amerikaans accent begon Chuck woorden uit te stoten. De klanken die hij produceerde leken meer op een verre imitatie van Franse woorden. ‘De l’ooow. Lŕ! L’oooowww. Lŕ! Lŕ! Lŕ! Lŕ!’
Râar en Zhîm keken elkaar aan. ‘Begrijp je er iets van?’ vroeg Râar.
‘Geen half woord. De nanoben hebben nog geen deftige connecties gemaakt.’
‘Volgens mij lijken die klanken die ze voortbrengen op dat liedje... herinner je je de melodie die die twee mannen in het struikgewas zongen?’
‘Maar natuurlijk! Dat is het!’ Meteen begon Zhîm het liedje na te zingen zoals de taalnanoben het hadden opgeslagen. ‘Loooola. Boissss wiel bie geuls en geuls wiel bie boisss...’
‘The Kinks!’ riep Buck.
‘Ray Davies!’ zei Chuck.

Râar en Zhîm hadden er geen idee van hoeveel plezier ze de Amerikanen hadden gedaan. Als amateur-dj’s, -zangers en –muzikanten hadden Buck en Chuck het liedje wel duizend keer gespeeld en
gezongen.
‘Zouden die bleekscheten travestieten zijn?’ vroeg Chuck, perplex.
‘Als ze niet gekleed zijn kan je dat uit hun blote lijf niet zo goed opmaken. Ik weet niet wat ik ervan moet denken.’
De geheime agenten barstten in lachen uit en zongen uit volle borst het liedje mee. Alle misverstanden losten zich op. Zingend troonden Buck en Chuck Râar en Zhîm mee naar het sanitair. Achter hen stond de sliert geheime agenten te kijken, totaal ontredderd, zonder iets te begrijpen en niet wetend wat te doen.

Voor de ufonauten verliep het eerste contact met de agressieve aardbewoners bijzonder gezellig. Zingend van ‘Lola’ toonden de Amerikanen hen de wc’s, de douches, de wasbakken en de bakken
voor de afwas en het wasgoed. Tenslotte gingen ze weg, zingend, lachend en uitbundig wuivend. In hun zog volgde een kudde concurrentspionnen.

En daar stonden Râar en Zhîm dan.
Alleen.
Bij de waterkraantjes.
Dat konden ze zien, want hier en daar druppelde er water uit. De pictogrammen boven de kranen lieten er ook geen twijfel over bestaan: ze toonden stromend vocht. Het was duidelijk dat Râar en Zhîm hier
aan water konden komen. Maar hoe?
Râar duwde op een pictogram.
Er gebeurde niets.
‘Râar! Probeer het nog eens!’ zei Zhîm.
Râar duwde een tweede keer op het pictogram, deze keer veel langer en harder. Er gebeurde nog altijd niets.
Verbaasd staarden Râar en Zhîm naar de kraan.
‘Misschien is deze kapot.’ Râar duwde op een ander pictogram van een andere kraan.
Dat reageerde evenmin.
‘Wacht, ik denk dat ik het heb. Misschien zijn het sensibele kranen en moet je erop duwen.’ Zhîm duwde op verschillende manieren op de kraan, maar die bleef volkomen droog, op enkele druppels na. ‘Zouden de aardbewoners zo gesofisticeerd zijn dat ze waterleidingssystemen gebruiken die wij niet kunnen doorgronden?’ vroeg hij.

Op dat moment dook Martine op voor de dagelijkse onderhoudsbeurt van het sanitair. Ze zag hen knoeien en slaakte een diepe zucht. Die kerels van tegenwoordig toch. Keien met computers, maar afgezien daarvan hadden ze twee linkerhanden. Ze zouden nog omkomen van de dorst naast een kraan omdat ze hem niet konden opendraaien.
Martine ging op de kerels af en probeerde het uit te leggen. ‘Nee, zo niet! Je moet draaien! Drááien!’
Râar en Zhîm staarden haar aan zonder zich te verroeren. Martine probeerde het nog eens, in het Engels deze keer. ‘Turn! Turn!’ Ze draaide haar hand terwijl ze sprak, maar er was niets aan te doen. De mannen bleven haar aanstaren.
‘Mag ik die fles?’ vroeg Martine. ‘La bouteille.’ Ze stak haar hand uit en deze keer leidden de nanoben er exact uit af wat ze verlangde.
Râar overhandigde haar de kruik. Martine hield hem onder de kraan en draaide die open. Het water stroomde. Ze vulde de kruik tot aan de rand.
‘Zo. Heb je het gezien?’
Ze knikten allebei van ‘ja’. Dat hadden ze ook al begrepen, dat jaknikken.

Martine gaf de gevulde kruik terug. ‘Nu ik jullie toch zie... jullie zijn die twee kerels die nog niet zijn ingeschreven. Dat moet je vandaag beslist doen!’
‘Ingeschreven?’ vroeg Zhîm.
Plots had Martine verschrikkelijk veel moeite om niet in lachen uit te barsten. Die mannen beschikten echt over een uiterst beperkte Franse woordenschat. Waarschijnlijk hadden ze wat gelezen in een van die goedkope, domme boekjes met ‘Franse Dialogen Voor Op Reis.’ Toch waardeerde ze het dat de kerels de moeite hadden genomen om die weinige woorden te leren. Martine probeerde een heel sober Frans te hanteren.
‘Blijven jullie hier nog lang?’ vroeg ze, langzaam en duidelijk articulerend.
En jawel, dat begrepen de taalnanoben, en dus ook Râar en Zhîm.
‘Blijven…’ Zhîm beet op zijn lip. ‘Tot de takeldienst ons komt halen,’ had hij willen antwoorden. Gelukkig wist hij niet hoe ‘takeldienst’ klonk in het Frans, en dus zweeg hij.
Râar antwoordde in zijn plaats. ‘Blijven hier nog lang,’ zei hij. ‘Of misschien nog langer.’
‘Werkelijk? In orde, er is plaats genoeg. Kom in de namiddag om je in te schrijven, goed?’ Martine kon haar geluk niet op. Deze klanten bleven alvast een hele poos!
‘Kom in de namiddag om je in te schrijven,’ herhaalde Râar. Martine wist niet of de man begrepen had wat ze bedoelde of dat hij alleen maar haar woorden herhaalde.
‘Waar komen?’ informeerde Zhîm.

Moedeloos staarde Martine hem aan. ‘In de frituur. Kom mee, dan toon ik het.’ Ze verliet het sanitair blok en wees de richting aan. ‘Hier naar links, en dan vind je het vanzelf wel, je komt langs de agora, het park bij het zwembad waar de mensen liggen te zonnebaden, en vandaar kan je de frituur niet missen, hij staat voor je neus als je bij het zwembad bent.’
Râar antwoordde niet. Het woord ‘frituur’ lag nog buiten het bereik van zijn taalnanoben maar hij durfde niet nog meer uitleg vragen. Nu al keek de vrouw hem en Zhîm aan alsof ze dacht dat ze van een verre planeet kwamen.
‘Kom in de namiddag,’ herhaalde Râar. Hij probeerde zijn stem heel zeker te laten klinken. ‘In frituur.’
‘Tot straks!’ Martine was tevreden dat die computerfreaks een paar dagen zouden rondlopen in volle eenvoud, en dat ze met primitieve materialen zouden koken, slapen, leven. Het zou hen goed doen. En ze zagen er zo bleek uit! Hun huid mocht best een beetje zon zien. Ze haalde haar poetsmateriaal uit de wandkast en begon opgewekt zingend van ‘Supercalifragilisticexpialidocious’ aan de dagelijkse poetsbeurt van het sanitair.

Zhîm hield zijn eigen kruik onder een kraan en probeerde de draaiende beweging die hij Martine had zien uitvoeren. Het werkte. Hij kon het niet laten om te spelen. Hij draaide de kraan open en toe, open en toe. Hij besprenkelde zijn gelaat met water, dronk met volle teugen. Hij vulde zijn kruik.
‘We kunnen ons hier ook wassen!’ Hij sleepte Râar mee op een nieuwe ronde door het sanitair en draaide aan de kranen van alle douches. ‘En er zijn toiletten, met een rioleringssysteem! Alle comfort!’
Bij de ufonauten begon een licht enthousiasme voor de planeet te ontstaan. ‘Keren we langs een andere weg terug naar Khasrol13?’ stelde Râar voor. ‘Dan kunnen we ons een beter idee vormen over de omgeving waarin we terechtgekomen zijn.’

Met de gevulde kruiken in hun handen bewandelden Râar en Zhîm zo nonchalant mogelijk de aarden weg. Wat ze te zien kregen strookte totaal niet met de sfeer van een vluchtelingenkamp of een militaire basis. Mensen die ze kruisten begroetten hen telkens met een vriendelijke knik en soms een ‘Bonjour’. Ergens op het gras stookte iemand een vuurtje waarop een ketel water stond te koken. Nog wat verder zaten twee mannen aan het ontbijt. Râar en Zhîm begroetten hen volgens het aardse ritueel dat ze inmiddels geleerd hadden: ‘Bonjour’. Na nog enkele bonjours begonnen ze zich al aardig aangepast te voelen in deze maatschappij. Alleen één raadsel konden ze niet oplossen.

‘Hebben ze hier dan geen vrouwen?’ vroeg Zhîm. ‘Al die mensen leven met zijn tweeën, in mannenkoppels.’
‘Ik snap het ook niet. Hoe planten ze zich voort?’ vroeg Râar.
‘Misschien leven er maar heel weinig vrouwen op Aarde, en worden ze daarom behandeld als bijzonder kostbare wezens.’
‘Dan is de vrouw die we bij het sanitair zagen de bazin, de oppervrouw, een soort moedergodin...’
‘... al poetst ze het sanitair...’
‘Er zijn nog enkele andere vrouwen, maar ze verblijven allemaal in de witte huisjes op wielen. Misschien zijn die huisjes voortplantingshuizen en reizen de vruchtbare mannen er het hele land mee af om met de schaarse vrouwen te paren. Dat zou verklaren waarom er wielen zitten onder de huisjes.’ Het leek waanzinnig, maar voorlopig was het de beste verklaring die Râar en Zhîm konden bedenken.
‘Oei. Wat denken ze dan van ons? Wij leven in zo’n huis en we zijn twee mannen!’ zei Zhîm.
Twee Duitsers kruisten hen op hun wandeling. Eén niesde onophoudelijk. De andere riep: ‘Verdammt! Sehen Sie das? Zwei Homosexuellen!’ Zachtjes spreken leek niet tot hun vaardigheden te behoren. Zhîm en Râar snapten er echter niets van. Hun neuronencellen en taalnanoben sloegen het woord ‘homozekzoewellen’ op, klaar om er allerhande verbindingen mee aan te knopen.
Zhîm en Râar kuierden verder en namen ondertussen de omgeving gedetailleerd in zich op. In de verte bleef die ene Duitser onstuitbaar hard niezen, zo luid dat de hele camping het kon horen. De andere
sprak hem even luid aan en riep: ‘Wat is er toch aan de hand met jou! Was geht schief mit dir? Ben je nog altijd ziek! Je blijft maar rillen, klappertanden, niezen, hoesten, rochelen, kotsen! Je ziet er groen uit en je hebt het altijd koud. Zal ik vragen dat men een andere collega stuurt?’

Nog wat verder zaten een man en een vrouw op het gras met iets voor zich wat een stapel voeding moest zijn.
‘Bonjour!’ zei de man. ‘Zin in een croissant?’
Toch weer een beetje ontredderd staarden Râar en Zhîm naar het echtpaar.
‘We hebben er teveel,’ legde de vrouw uit. ‘Alles moet op, anders worden ze slecht.’
Zhîm begreep het als eerste. Zo was het altijd wanneer het om voeding ging. De vrouw merkte de blik van verlangen in zijn ogen op.
‘Deze hier?’ Ze gaf hem een koffiekoek met chocolade. Zhîm nam hem gretig aan.
‘Smakelijk!’ zei ze.
‘Merci!’ stamelde Zhîm. Hij beet in de koek. ‘Lekker!’ Na de tweede beet werd dat: ‘Zeer lekker!’ en na de derde smakte hij: ‘Heerlijk! Mmmmm!!!’
Dat alles hielp Râar over zijn argwaan heen, en ook hij tastte toe.
De smaak in zijn mond was succulent. Na nog twee koeken bedankten ze nogmaals en zetten hun weg verder. Van elke koek hadden ze een stuk bewaard om door de keukenrobot te laten analyseren. Misschien kon hij de smaken namaken.
‘Akkoord, het is lekker, maar we moeten voorzichtig blijven,’ zei Râar. ‘Eerst de mensen beter leren kennen. Niet al te hard van stapel lopen.’
‘Jaja, beslist, jawohl. En toch... we hebben iets heerlijks gegeten en we zijn niet doodgevallen. Mijn maag had weer eens gelijk. Gelijk had hij. Voor de zoveelste keer.’ Zhîm voorvoelde dat zijn maag hem nog vaker in de richting van mensen zou duwen.

Dan kwamen ze bij een weide, een park waar ligzetels stonden opgesteld in heerlijk zacht gras, onder de schaduw van enkele groene eiken of in volle zon. De zonneweide lag naast het zwembad. Verspreid
over het gras lagen enkele zonnekloppers, op een badhanddoek of in een ligzetel, op hun rug of op hun buik, te genieten van de eerste zonnestralen. Râar en Zhîm bleven staan. Voorbij het zwembad lag
nog een gebouw.
‘Dat zou weleens de frituur kunnen zijn,’ zei Râar.
Zhîm was het daarmee eens. ‘De frituur waar de vrouw het over had, en waar we in de namiddag naartoe moeten om ons in te schrijven.’
De taalnanoben hadden niet stilgezeten en waren volop bezig aan een uitgebreid talennetwerk. ‘Tell me more’ was hun leuze. Zelfs de betekenis van het woord ‘inschrijven’ was hen al duidelijk.

Verder op hun verkenningstocht keek Zhîm zo verlangend naar een kop geurend zwart vocht dat hij alweer op de koffie gevraagd werd.
‘Met of zonder suiker? Met of zonder melk?’ vroegen de mensen. De smaak verbeterde na elke toevoeging. Algauw had Zhîm twee koppen koffie met melk en drie klontjes suiker naar binnen gewerkt. Hij werd er vrolijk van. Hij speelde met zijn lepeltje en giechelde als een klein kind.
Râar was met stomheid geslagen. Zhîm huppelde van de ene mens naar de andere. Hier at hij spek met eieren, daar proefde hij boterkoeken met chocolade, dan weer croissants zonder chocolade. Hij dronk koffie, thee en maakte afspraken om straks terug te komen, voor het middageten. Het werd Râar allemaal te gortig.
‘Zhîm!’ riep hij bevelend.
‘Wat is er?’ Zhîm likte zijn lippen en vingers af. Dat was pas een heerlijke zoete koffie!
‘Dit is geen verantwoord gedrag meer! We zijn hier nog niet lang genoeg om zulke dingen te doen!’
Zhîm haalde zijn schouders op. ‘Moet ik soms eerst de mensen dagenlang bestuderen, alleen van onze pillenvoeding eten, en dan, als de takeldienst ons komt halen, besluiten dat aardbewoners fijn zijn,
dat hun voeding heerlijk is, maar dat ik jammer genoeg geen tijd meer heb om een praatje met hen te maken, en geen tijd meer heb om te proeven van hun heerlijkheden?’
‘Nee, dat ook weer niet, maar…’
‘Komaan, Râar, we zijn met pensioen! We zijn niet langer Mannen met een Missie. Als het ergens goed is, hoeven we dat niet eerst allemaal te analyseren, beschrijven en uit te leggen. We kunnen gewoon meespelen, zonder meer!’
Zelfs de wetenschapper in Râar had hier geen antwoord op. Zhîm was soms zo stuitend eenvoudig. Râar zuchtte. Hij kon geen enkel rationeel argument bedenken tegen vanzelfsprekende levenslust.
Dus nam hij ook nog een koffie en een croissant.

(wordt vervolgd)



Op deze website kan je het volledige boek lezen.
De gedrukte versie van Camping Martinatuur kan besteld worden door me te contacteren op mijn emailadres.
Alle info met de nodige links vind je op mijn website, www.manonsite.eu.

Camping Martinatuur
Copyright 2008 Manon
manon@skynet.be
www.manonsite.eu
Omslag: Kaisan
ISBN: 9789079457014
NUR: 300
Vertaald naar het Frans onder de titel: ‘Camping Martinature’


Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens