woensdag 17 oktober 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Manon - Manon - Camping Martinatuur (1/33)
Gepubliceerd op: 27-10-2011 Aantal woorden: 3995
Laatste wijziging: 27-07-2015 Aantal views: 1785
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Manon - Camping Martinatuur (1/33)

Manon


Op de top van de heuvel hield de auto het voor bekeken. Pruttelend bolde hij uit tot schuin over twee parkeerplaatsen, dan was het finaal afgelopen.
Moe en uitgehongerd kroop Piet Geluck uit zijn oude Panhard. Onmiddellijk werden zijn neusvleugels geprikkeld door een hem welbekende geur - Piet was een Belg, de geur van frieten herkende hij
onmiddellijk. Een heel brede glimlach verscheen op zijn gelaat. De oplossing voor zijn problemen was vlakbij.

Aan een hek hing een scheefhangend bord met groene, afbladderende letters die iets als ‘Camping Miniatuur’ moesten voorstellen. Onder het bord had iemand een karton geplakt met daarop
de woorden ‘Inscriptions et accueil =>’. De pijl wees in de richting van een gebouw waar de heerlijke geuren vandaan kwamen. Het was al bijna tien uur ’s avonds maar achter de ramen brandde licht. De glimlach van Piet werd nog breder. Hij ging op weg.

Zodra hij de uitbaatster zag trok hij zijn slaperige oogleden hoog op. Die vrouw stond aardappelen te schillen met haar billen bloot alsof dat de normaalste zaak van de wereld was. Haar naakte achterwerk
bewoog gracieus van links naar rechts op het ritme van muziek die uit een draagbaar radiootje kwam. Haar lange, zwarte haren, gebonden in een paardenstaart, volgden opgewekt het ritme van haar heupen.

Martine was misschien nog verbaasder dan Piet. Er kwamen niet veel klanten naar haar afgelegen camping, en bij het invallen van de nacht verwachtte ze al helemaal geen nieuwkomers meer.
‘Welke wind brengt u hierheen op dit late uur, o eenzame zwerver?’ vroeg ze. ‘Wie heeft Martine La Gaillarde de eer te mogen ontvangen?’
‘Noch wind noch ster noch maneschijn wees me de weg naar dit oord, maar een persoon in de velden, in de weer met gekleurde lampen. Hij bestuurde een soort openlucht disco zonder muziek,’ antwoordde Piet.
‘Ah! Flash, de Flitser!’ Ze draaide zich naar hem toe. Een grote schort beschermde haar borsten tegen de spatten van het frietvet, maar dat belette Piet niet om op te merken dat Martine even goed geschapen was aan de voorkant als aan de achterkant.
‘En waar komt u vandaan?’ vroeg ze.
‘Uit de duistere leegte van de kosmos ben ik afgedaald, gedreven door honger en dorst. Ik ben een verdwaalde alien die de sterren en planeten grondig beu is en gewoon verlangt naar een grote portie friet.’

Een hoestbui en geluiden van iemand die zich verschrikkelijk verslikt deden hen opschrikken. In een uithoek van de frituur zat een kortgestuikt ventje. Een veel te hete en veel te grote friet was hem in
het verkeerde keelgat geschoten, zijn gezicht kleurde roodpaars en zijn grote bologen sperden zich helemaal open. In een poging om zijn luchtwegen weer vrij te krijgen, produceerde hij zware rochelgeluiden. Klodders mayonaise spatten in het rond. Het mannetje schoot naar buiten en verdween in het duister.

‘Hebt u dat gezien?’ riep Piet. ‘Hebt u dat gezien? Die vent was helemaal bloot!’
‘Zoals ik!’ Martine trok haar schort naar beneden en onthulde daarbij het hele panorama van haar naakte lijf. Ogenblikkelijk werden de ogen van Piet bijna net zo bol als die van de kerel die zonet de frituur had verlaten. Zijn mond zakte helemaal open.
Martine lachte van harte. ‘Weet u dat dan niet? U bevindt zich in een naturistencamping!’
‘Een naturistencamping? Bedoelt u zo’n plaats waar het verboden is om kleren aan te trekken wanneer de zon schijnt?’
‘Precies.’
‘Aha! Ik bevind me dus niet in ‘Camping Miniatuur’ maar in ‘Camping... naturistentuur...?’
‘Camping Martinatuur,’ verbeterde ze. ‘Dus, Flash heeft je de weg hierheen gewezen? Hij staat elke nacht in die velden, met zijn laserstralen, zijn radiosignalen en zijn spots. Hij beweert dat hij
boodschappen verstuurt naar buitenaardsen. Alsof die wezens van de ruimte ook maar iets van zijn taaltje zouden snappen.’
‘Het is toch dankzij zijn uitleg dat ik de weg naar deze camping gevonden heb.’
‘Ja, en bijgevolg bent u een soort alien,’ glimlachte ze. ‘Flash is een beetje bizar, maar hij is een leuke jongen. Soms noemen we hem Flash Gordon. Of ook nog wel de Flitspaal.’

Martine overhandigde Piet een formulier en een bic zonder hoedje.
‘Bent u gekomen met een tent of met een caravan?’
‘Euh… tent.’
‘Het kampeerterrein is nagenoeg leeg, dus kan je je tent neerzetten waar je wilt. Persoonlijk vind ik nummer 28 een goede plaats. Er liggen misschien wat teveel stenen, maar het terrein is plat en je kan de tent opzetten tussen de struiken, in de schaduw van enkele grote eiken...’
Piet vulde het formulier in en gaf het terug aan Martine. Gelukkig vroeg ze zijn identiteitskaart niet, want die was hij thuis vergeten. Net als zijn zwembroek trouwens.

‘Kan ik soms wat frietjes krijgen? Ik heb de hele dag doorgebracht in de auto, en het is al meer dan tien uur geleden dat ik nog iets tussen mijn tanden heb gestoken.’
‘Zeker, maar u zal wel cash moeten betalen, zowel voor de frieten en de drank als voor uw verblijf hier,’ antwoordde Martine duidelijk.
‘Een toestelletje voor bankkaarten heb ik niet. Die zijn veel te duur voor mij.’
Piet tastte in zijn broekzakken op zoek naar een achtergebleven muntstuk of een laatste biljet, zonder iets te vinden. ‘Ik zal morgenvroeg naar de bank gaan om geld af te halen, maar als u wilt dat ik de frietjes nu al betaal kan dat misschien... in de auto heb ik... euh... foto’s, van de Aarde. En van deze streek hier. Van deze camping! Ze zijn genomen vanuit een satelliet. Vanuit de ruimte! Een ogenblikje, ik ga ze halen...’
Hij rende weg en kwam even later terug met een bruine envelop.

‘Dit zijn ze. Foto’s van de Aarde, genomen vanuit de ruimte. Ze zijn gemaakt en doorgestuurd met een nieuw systeem dat ik zelf heb uitgedacht. Juist daardoor zijn ze heel duidelijk en helder.’
‘U bent dus toch ergens een soort buitenaardse?’ Martine bekeek de foto’s een voor een. Steden en wegen, bossen, zeeën. Er gleed een dromerige blik over haar gelaat. Piet besefte dat hij een grote portie frieten te pakken had.
‘Mooi, zeg,’ vervolgde Martine. ‘Alles in rood, oranje en geel, en een beetje wit. Heel origineel. En vooral heel scherp. Welke zijn de foto’s met de camping?’
‘Och, er zijn er nogal wat... deze hier zijn het duidelijkst. Als je er heel sterke vergrotingen van zou maken, zou je bijna alle details van de camping kunnen zien. Misschien zelfs de fri etketel!’ Verlangend richtte Piet zijn ogen op het apparaat in kwestie, maar de aandacht van Martine bleef gericht op de foto’s.

‘Zelfs met het blote oog kan ik patronen in het landschap herkennen. Daar, ziet u, tussen de flanken van de heuvels, dat kronkelende streepje, dat is de rivier... en daar... het grote meer... dus moet de camping hier ergens liggen... en dit gebied is natuurlijk het aangrenzende domein... Die dieprode vlek is het kasteel.’
‘Alleen jammer van die kleine storing... die wazige streep met een witte vlek,’ vond Piet. ‘Ze komen op alle foto’s voor, maar nooit op exact dezelfde plaats. Heel vreemd, het is geen vliegtuig, geen satelliet... ik heb de oorzaak nog niet ontdekt... misschien een meteoor. Nu ja, eigenlijk is het niet zo belangrijk.’
Martine haalde haar schouders op. ‘Inderdaad, wat maakt het uit, die enkele kleine vlekjes. De foto’s zijn echt prachtig.’
‘Wel, kiest u er dan maar één uit, of enkele. Ze zijn voor u!’

Martine koos enkele foto’s et nam ze op met haar vettige vingers, waardoor de afbeeldingen helemaal bedekt werden met vetvlekken.
Met duimspijkers duwde ze de foto’s in de wand, kriskras tussen reclameposters voor naturisme met de nodige blote buiken, billen en borsten.
‘Hangen ze hier niet mooi?’
‘Bijzonder mooi,’ antwoordde Piet. ‘Maar het zijn niet de enige mooie afbeeldingen in deze frituur... die schitterende penseeltekening, hoe komt die hier?’
‘Die Japanse tekening... die is van de hand van een zenmeester die in zijn eentje de wereld rondreist. Hij heeft niet veel geld en maakt tekeningen in ruil voor porties frieten en plaatsen om te overnachten.’

Martine nam haar mesje om aardappelen te schillen weer op. ‘Jouw foto’s zijn zeker evenveel waard als die zentekening. Ik beloof je een grote fles wijn en een zeer, zéér ruime portie frieten! Maar ik heb wel nog even werk. Ik was juist met schillen begonnen toen je binnenkwam, want net als jij heb ik deze avond nog niet gegeten. Ik zal dus twee grote porties bereiden.’
‘Ik help je wel als je me ook een mesje geeft.’
Samen installeerden Piet en Martine zich aan een tafel.
‘Waarom koop je geen voorgebakken diepvriesfrieten?’ vroeg Piet terwijl hij het aardappelmesje behendig zijn werk liet doen.
‘Ach, voor het weinige volk dat hier komt... het is goedkoper om de aardappelen te schillen. Meestal doet mijn assistent het, Barnabé Blazy, maar hij is plots ziek geworden.’
‘Dat is wel erg ongelukkig.’
‘Hij was zo ziek als een hond. Rillen, beven, klappertanden, niezen, hoesten, rochelen, kotsen… echt strontziek. Hij is naar huis teruggekeerd, en sedertdien heb ik niets meer van hem gehoord.’
‘En nu moet je alles alleen doen?’

Martine schonk voor elk van hen een wijntje in en slurpte het hare meteen halfleeg. ‘Dat is niet zo erg, weet je. Eigenlijk had Blazy een broertje dood aan werken. Hij schilde de aardappelen, maar verder
voerde hij niet veel uit. En het weinige geld dat de camping opleverde, streek hij op.’
Ze vertelde hoe ze bijna failliet was gegaan. Hoe vorig jaar de reisgidsen haar camping zelfs niet langer hadden willen vermelden omdat ze er zeker van waren dat hij overkop zou gaan.
‘Ik kon hen niet helemaal ongelijk geven,’ legde Martine uit. ‘Er staan slechts enkele caravans op het domein. De eigenaars betalen stipt hun maandelijkse bijdrage, dat wel... zoals Boloog, dat kleine ventje dat zonet al hoestend is weggerend. Hij bezit een stacaravan en elke maand betaalt hij de huur voor zijn lapje grond. Die maandelijkse bijdragen leveren juist genoeg op om het sanitair in stand te houden en af en toe een herstelling uit te voeren. Maar meer, dat is onmogelijk. In werkelijkheid is er amper genoeg om te overleven.’

In een laatste poging om de kansen te doen keren had Martine zich aangesloten bij de naturistenvereniging van Frankrijk.
‘Nu begrijp ik waarom je hier in je blote billen paradeert!’ riep Piet.
‘Als het koud is trek je natuurlijk kleren aan. Maar zwemkledij is altijd uit den boze.’
‘Wat een geluk! Ik ben mijn zwembroek thuis vergeten.’
Ze kon weer lachen, Martine. ‘Wie weet zal het beter gaan dankzij dat naturisme,’ ging ze verder. ‘Deze ochtend, bij het aanbreken van de dag, is er een nieuwe caravan aangekomen. Ik weet niet wie erin zit, de eigenaars hebben de hele dag geslapen. Ze moeten wel van ver komen als ze zo moe zijn. Er is dus ook veel kans dat ze een tijdje zullen blijven.’
‘Net als ik!’
‘Het gaat goed met de zaken!’

Ook het aardappelschillen en -snijden ging goed. Piet en Martine hadden al een emmer vol – veel te veel voor twee porties frieten.
‘Hiermee heb ik genoeg voor vandaag én voor morgen!’ Heupwiegend en deuntjeneuriënd trok Martine naar de toog. ‘Dus je werkt in de ruimtevaart?’ vroeg ze terwijl ze de aardappelen in het hete frituurvet kieperde.
‘Werk... werkTE... ik bedoel, ik had een project bij ESA, maar gisteren ben ik ontslagen.’
Piet zag de blote rug van Martine. Hij kon haar reacties niet zien maar wist dat ze aandachtig luisterde terwijl hij vertelde hoe de poetsvrouw van ESA hem in de vroege ochtenduren had aangetroffen in zijn kantoor.

Hij had net een nieuw idee over het openplooien van zonnepanelen in de ruimte uitgewerkt en zat nog wat na te klikken met de muis toen ze binnenkwam.
‘Professor? Zit je hier nog altijd? Sorry dat ik zomaar binnenval maar ik moet dit kantoor elke dag even zuigen.’
Ik staarde haar slaperig aan.
‘Het is zes uur in de ochtend, prof,’ zei ze. ‘Zou je na zo’n nacht werken niet beter naar huis gaan om te slapen? Je ziet eruit alsof je het kan gebruiken, met je rood doorlopen ogen.’
Ze noemde me altijd professor want ze wist dat ik die term haat. Professoren zijn saaie, dode pieten. Ik ben een levende Piet!
‘Prof? Ikke prof? Nooit geweest, en ik zal het nooit worden ook. Ze hebben me ontslagen!’
Ze schoot in de lach. Buitengegooid? En helemaal niet verdrietig? Dat geloofde ze niet. Dat kon niet.
‘Waarom zit je hier dan nog te werken!! In jouw plaats was ik al lang naar huis!’
‘Gelijk heb je. Wat zit ik hier nog te doen!’ Ik grabbelde alles bijeen.
De stapel papieren van mijn onderzoek over zonnepanelen – inclusief de brief om er een patent op te nemen. De bruine envelop met de foto’s uit de ruimte. En enkele persoonlijke spullen.
‘Al dat papier op de grond, prof!’ grapte de poetsvrouw nog. ‘Je bent er vannacht weer eens tegenaan gegaan met je papieren vliegtuigjes!!’
‘Vanaf morgen zal je een rustiger leven hebben. Ik ga er definitief vandoor.’
‘Ik zal je missen, prof! Jij en je vliegtuigjes!’
‘Hou je goed!’
Ik verliet het kantoor. Aan de manier waarop ze me niet eens nakeek begreep ik dat ze geen snars geloofde van wat ik haar gezegd had. Ze was er zeker van dat ze me de volgende dag zou weerzien, en alle volgende dagen ook. Maar dat was niet zo.

Het eerste daglicht viel in de lange, verlaten gangen. In de kantoren rondom mij hoorde ik het monotone gezoem van computers die, net als ik, de hele nacht hadden doorgewerkt. Uit een van die lokalen weerklonk een stem, luider, tussen andere.
‘Hé, man! Het ministerie heeft gebeld! Buitenlandse Zaken! Ze moeten Bornez hebben!’
Bernard Bornez was mijn baas. Het antwoord was onverstaanbaar.
Ik stapte naar buiten door de grote poort waar een wit bord met
mooie, blauwe letters aankondigde: EUROPEAN SPACE AGENCY.
Buiten zongen de merels uit volle borst. Op de parking stond mijn autootje braaf te wachten. De motor was in een goede bui en startte meteen, zonder tegen te pruttelen. Samen hobbelden we de straat uit,
de wijde wereld tegemoet. Wist ik veel dat die wijde wereld CAMPING MARTINATUUR zou heten.


Martine overhandigde hem een reuzegrote bak frieten met een portie sla en tomaten. ‘Ik begrijp dat die poetsvrouw je niet ernstig wilde nemen. Je ziet er niet uit als iemand die pas ontslagen werd. Je lijkt
niet eens verdrietig.’
‘Nee... Eerlijk gezegd, ik had er ook wel mijn buik van vol. Al die raketten, motoren, stabilisatoren, satellieten... je hoofd gaat ervan tollen. En plots zit ik hier, in de open natuur, met een goede ontslagpremie. Een heel leven van vakantie voor me!’
‘Je bent op het goede moment op de juiste plaats terechtgekomen!’
Martine bediende ook zichzelf van een berg frieten en schonk een volgend wijntje in. Voor zichzelf, en ook eentje voor Piet.

oOo


Later die avond bereidde Martine zich voor op een rustige nacht.
Ze ontdekte dat Piet zijn ruimtefoto’s in de frituur had laten liggen, en borg ze op in een lade. Tevreden overliep ze daarna nog eens de foto’s die Piet haar gegeven had. Er waren nieuwe, spectaculaire kleureneffecten bijgekomen door de spatten mayonaise en chilisaus. De kleine witte streepjes en vlekjes die Piet haar had getoond vielen helemaal niet meer op.
Op de radio was het late journaal afgelopen. Er was een laatavondprogramma aan de gang met populaire liedjes en veel smakelijk gelach, wat Martine niet interesseerde. Net op het ogenblik
dat ze zich afvroeg of ze haar huis zou opzoeken en gaan slapen, weerklonk een zwaar gebrom. Het was een geluid dat ze maar al te goed kende en veel te weinig hoorde. Eerder deze avond had ze het al
een keer gehoord, maar dan stotterend, als conservenblikjes die met stukken ijzerdraad aan elkaar gehouden worden. Ditmaal was het geluid regelmatig. Een grote auto… Een grote klant?

Even later stapten twee kerels haar frituur binnen, een grote, atletische kerel met een stoppelbaard van een paar dagen en een kleine, lenige figuur met een bos weelderige, wilde haren en een verzorgde
snor. Ze hadden een donkere huidskleur, het Tex-Mex-type, en om een plaats te vragen drukten ze zich uit in het Engels met een Amerikaans accent.
‘Ow longue do you ouant tout stei?’ vroeg Martine in een poging om zich verstaanbaar te maken in gebroken Engels.
De twee mannen grinnikten en schakelden over op Frans met een zwaar Amerikaans accent. ‘Nou ne saphons pas encole.’
Martine antwoordde dat het niet belangrijk was omdat er toch geen reservaties waren. De mannen konden blijven zolang ze wilden.

Terwijl de ene de papieren invulde, vroeg de andere: ‘Van wie is die blauwe old-timer, die Panhard op de parking?’
‘Van iemand die zopas is aangekomen, net als jullie. Hij is van plan om een hele tijd te blijven. Kunnen jullie misschien ook doen,’ suggereerde Martine.
Daarop vroeg de man of het mogelijk was om een tent te huren, want ze hadden niets voorzien voor de nacht. In de berging koos Martine uit enkele oude, gerafelde tenten en stoffige slaapzakken de exemplaren met het meest frisse uitzicht.
‘Als je hier genoegen mee neemt, kan je deze tent huren. Maar hij is oud en ik ben er lang niet zeker van dat alle stokken en haringen er nog zijn…’
No problem. We zijn moe, voor ons zal deze lap stof aanvoelen als een hemelbed,’ zei de grootste van de twee. Hij gaf haar de ingevulde formulieren terug en Martine las dat hij Buck Unborn heette. Zijn metgezel met de zwarte bos haren was ingeschreven onder de naam Chuck Unavez.

Plots spitsten Buck en Chuck de oren. Het geluid bereikte ook Martine: alweer het zware brommen van een auto – van twee auto’s? Of meer? Even later kwamen twee mannen de frituur binnen, op de
voet gevolgd door nog eens twee keer twee mannen. Stuk voor stuk wilden ze overnachten op de camping. Allemaal wilden ze een tent huren. En geen van hen wist hoelang hij zou blijven. Ze vulden
formulieren in en zo vernam Martine dat het ging om twee Fransmannen, twee Belgen en twee Duitsers.
De volgende auto die de camping ontdekte was een Toyota. Twee Japanners deden hun intrede in de frituur. Ze werden gevolgd door twee Roemenen die uit een Lada kwamen. Iedereen betaalde cash een
voorschot voor één nacht.

Zo ging het nog een hele tijd door. Twee aan twee vielen ze binnen. Italianen, Grieken, Canadezen, Australiërs, Chinezen... Na een uur had Martine nog nooit zoveel geld in haar kassa gehad. Al haar tenten en slaapzakken waren verhuurd en bijna het hele kampeerterrein was volgeboekt.
Alle onverwachte gasten waren ook uitgehongerd. Ze namen plaats aan de tafeltjes en bestelden eten en drinken - elk in hun eigen taal.
Slechts enkele gasten waren de Franse taal machtig. Voor Martine was dat geen probleem. Ze kon goed zingen, ze danste graag, ze was zo expressief dat ze snel een efficiënte taal kon ontwikkelen aan de hand van mimiek, gebaren, aanrakingen, veel misverstanden en gelach.
De ene klant nam twee grote porties friet (er waren genoeg geschilde aardappelen om iedereen te bedienen), de andere wilde een baguette met eiersla en tomaten.

De twee Duitsers eisten steeds weer Sauerkraut und Wurst. Eén van hen had het ijzig koud. Hij daverde van de koude rillingen, begon te klappertanden, niezen, hoesten, rochelen... Daardoor
werd hij nog veeleisender.
‘Sauerkraut, verdammt!’ riep hij uit. ‘Sauerkraut und Wurst, hören Sie?... Haaatsjie.... Wurst!…
Haaaaatsjie!!!! Hatsjaaahhh!!!’
‘Je bent ziek aan het worden,’ zei zijn collega. ‘Bestel liever een goeie warme Glühwein!’
‘Sauerkraut und… Haaahhh... tsjieieieie!’ repliceerde de zieke man.
Plots werd hij lijkbleek. ‘Ik ben misselijk... ik moet kotsen... moet iets verkeerd gegeten hebben vandaag... het toilet…’
‘Ik eet eerst mijn portie en dan ga ik pitten in de Cayenne!’ riep zijn collega hem na. ‘En jij komt er niet in voor je je maag helemaal geledigd hebt, begrepen? Al ben je mijn baas, om het even. Vergeet niet dat IK verantwoordelijk ben voor het rollend materiaal. Ik moet die zure, weeë
geur van kots niet in de Porsche!’
De zieke Duitser strompelde moeizaam naar buiten. Zijn assistent bleef achter in de frituur en bestelde twee grote porties friet met bier.

Twee aan twee zaten de nieuwkomers aan de tafels. Ze praatten op gedempte toon en wierpen stiekem blikken naar de andere tafels. Zo ontdekten ze dat de twee Fransmannen een fles rode wijn hadden
besteld. Ineens wilden ze dat allemaal ook. Waarom hadden ze daar zelf niet aan gedacht! Ze bevonden zich in Frankrijk en ze hadden dorst. Wat kon er beter smaken dan een glas rode wijn?

‘Zou de uitbaatster doorhebben dat we allemaal geheime agenten zijn?’ mompelde Chuck tussen zijn tanden.
Buck observeerde Martine. Ze liep af en aan met glazen, flessen, borden, servetten en bestek, haar zangerige stem begeleidde de liedjes van de radio, ze stelde de temperatuur van de frietketels bij, vulde borden en bracht ze naar de tafeltjes.
‘Absoluut niet. Ze is teveel bezig met frieten en drankjes om zich vragen te stellen. Trouwens, toerisme heeft toch een vanzelfsprekend internationaal karakter?’
‘Gelukkig maar,’ grinnikte Chuck. ‘Want de CIA zou er niet om kunnen lachen als we morgen plots in alle kranten stonden.’

Geen haar op het hoofd van Martine dacht eraan dat de plotse toeloop van toeristen naar haar camping ongewoon was. Ze was heel blij met de grote opkomst en vond dat het plan om over te schakelen op een naturistencamping haar geen windeieren aan het leggen was. Alleen begreep ze niet goed waarom er enkel mannen opdaagden. Eerst die Piet... Piet Geluck, dan de twee Amerikanen, gevolgd door die hele bende… nooit zat er een vrouw tussen. Maar wat wist zij uiteindelijk van naturisten? Ze was nog maar enkele weken aangesloten bij de vereniging. Misschien waren homo’s verstokte naturisten en had een internationale homo-groepering haar adres gepubliceerd in het ledenblad. Of anders waren vrouwen niet zo dol op naaktlopen omdat ze het nog wat te fris vonden. Ach, dan zouden ze later wel opduiken als de temperaturen buiten nog hoger opliepen.

Meerdere gasten hadden koude rillingen gekregen en waren beginnen klappertanden. Ze niesden, hoestten, rochelden, werden misselijk… trokken lijkwit weg en vertoonden braakneigingen. Buck
en Chuck hadden hun portie frieten op en observeerden enigszins verwonderd de zwakke fysieke conditie van sommige van hun collegaconcurrenten.
‘Een allergie?’ opperde Chuck.
‘Waarschijnlijk een virus. Iets banaals. De griep.’
‘Griep in de zomer... moet kunnen. Verandering van temperatuur, aanpassen aan een nieuw klimaat. En... zo te zien is het besmettelijk!’
Buck schoot in de lach. ‘Geen paniek, man. Onze fysieke conditie is optimaal. Er moet al wat gebeuren om ons ziek te krijgen.’
‘Juist. Ik voel me alvast kiplekker. En die frieten smaakten verrukkelijk.’
‘Maar morgen moeten we vroeg uit de veren. Je weet wel... er staat een autootje... schuin over twee parkeerplaatsen...’
‘En dat autootje heeft een bestuurder....’
‘En die bestuurder zal hier niet weggaan voor hij ons heeft ontmoet!’
Ze stonden op en namen de gerafelde tent en de slaapzakken mee.

‘Als er een probleem is mag je altijd een beroep doen op Martine La Gaillarde!’ riep Martine hen na.
Buck en Chuck glimlachten vriendelijk en verdwenen in de nacht.
Als op commando stond iedereen aan de tafeltjes recht. Op een mum van tijd was de frituur leeggelopen.
Alleen twee Chinezen bleven zitten, en werkten taoïstisch rustig de frieten naar binnen met hun stokjes.

(wordt vervolgd)



Op deze website kan je het volledige boek lezen.
De gedrukte versie van Camping Martinatuur kan besteld worden door me te contacteren via mijn emailadres.
Alle info met de nodige links vind je op mijn website, www.manonsite.eu

Camping Martinatuur
Copyright 2008 Manon
manon@skynet.be
www.manonsite.eu
Omslag: Kaisan
ISBN: 9789079457014
NUR: 300
Vertaald naar het Frans onder de titel: ‘Camping Martinature’

Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens