dinsdag 25 september 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Manon - De bamboefluit (10/11) - een poëtische thriller
Gepubliceerd op: 17-06-2011 Aantal woorden: 1443
Laatste wijziging: 17-06-2011 Aantal views: 1679
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

De bamboefluit (10/11) - een poëtische thriller

Manon


(Wat voorafging: Bert heeft gedeeltelijke bekentenissen afgelegd aan Marianne. Ondertussen zijn twee mannen het huis binnengedrongen zonder dat Bert het gemerkt heeft…)


Marianne staarde de mannen in uniform aan. Ze legde een vinger op haar mond. Een van hen knikte.
‘Het was haar schuld,’ zei Bert. ‘Als zij die dieren niet de hele tijd verdoofd had, had ik niet moeten zoeken naar een manier om ze artificieel op te peppen... en dan had ik hen niet per ongeluk een overdosis ultrasone geluiden toegediend. Een te grote stimulans, iets waardoor ze allemaal plots gestorven zijn. Dus toen het gebeurd was dacht ik, die methode is er nu toch, als ik hem op Mart gebruik… de doodsoorzaak zal onmogelijk vastgesteld kunnen worden. Marianne, jij kan dat begrijpen. Denk je eens in dat iemand alle vogeltjes in je tuin zou vergiftigen, zodat ze daar allemaal zouden liggen weg te kwijnen...' De tranen liepen Bert over de wangen. 'Dus nam ik de bamboefluit, en terwijl Mart buiten de was ophing, begon ik te spelen.’

'Je speelde de tonen die ik soms hoorde als ik voorbij kwam, en het werkte. Ze viel. Ze werd erg ziek. Waarom heb je dan zo snel de ambulance gebeld? Waarom heb je niet gewacht tot ze helemaal overleden was?'
Bert zuchtte. ‘Het was een reflex. Paniek. Je hebt gezien hoe ik eraan toe was, Marianne. Toen ik haar daar zo zag... in een flits zag ik al mijn honden terug, die ook zo gestorven zijn. Eén voor één vielen ze om. Ik wist niet hoe ik het had. Ik belde een ambulance. Alsof ik daarmee mijn honden toch nog kon redden.'
'Dus je had geen spijt?'
'Maar nee! Natuurlijk niet! Ik heb spijt dat ik die ambulance gebeld heb! Nu haalt ze het misschien toch!' raasde Bert. Ineens leek hij weer meer zichzelf te worden.
‘Was het niet gevaarlijk? Denk je niet dat je een voorbijganger, ikzelf die toevallig langskwam, ook kon doden? Of jezelf?’
Bert schudde zijn hoofd. ‘Het bereik van de klanken is niet groot, en ze gaan één bepaalde richting uit. Anders zou de fluitist ook sterven. De persoon waarop ingewerkt wordt, moet zich op een welbepaalde afstand van de fluit bevinden. Die afstand kan ik heel juist bepalen’
Dat betekende dat Bert nauwgezet had uitgerekend waar hij moest gaan zitten terwijl Mart de was ophing. Hij wist precies waar hij mee bezig was.
‘Er moet ook lang genoeg gespeeld worden,' vervolgde Bert. 'Jij hebt één keer in de fluit geblazen, daarom verloor ik maar even het bewustzijn. Ik zal niets overhouden aan die ene klank. Bij Mart heb ik toch vrij lang gespeeld voor ik de ambulance belde….’

De mannen in de deuropening verroerden nog steeds geen vin. Marianne wist niet of ze nog meer vragen moest stellen. Maar Bert ging verder. Hij lag nog altijd op de grond en keek haar recht aan. ‘Marianne, nu weet je alles... Wat ga je doen? Zul je me nu aangeven?’
‘Dat hoeft niet, je bent al betrapt,’ dacht ze. Maar ze durfde de woorden niet uit te spreken. Misschien zou Bert daarvan zo schrikken dat hij weer energie zou krijgen en haar en de agenten zou proberen te molesteren... misschien zou hij de bamboefluit willen grijpen. Die lag nog altijd naast haar. Marianne nam hem stevig in haar handen.

‘Ik was zo wanhopig. Het waren mijn dieren. Mart had ze allemaal mishandeld. Ik dacht aan mijn honden. Toen de ambulance kwam riep ik: 'Ze gaat eraan!' Maar zij waren eraan gegaan. Ik had wraak genomen, ik riep en schreeuwde, maar ik huilde om mijn honden. Jij begrijpt dat... jij houdt ook van dieren. Jij met al die nestkastjes in je tuin.’
‘Nee, ik begrijp het niet. Je had het met Mart kunnen bespreken. Jaren geleden al, toen je ontdekte dat ze die kennel eigenlijk niet wilde. Je had je professionele leven anders kunnen organiseren, een terrein even verderop huren voor een kennel. Of Mart en jij konden uit elkaar gaan. In elk geval had je kunnen verdergaan met je kennel.’
‘Die vogeltjes in je tuin... het mooiste wat je hebt... het enige waar je voor leeft...'
‘Het zijn niet mijn vogeltjes. Ze zijn vrij om te vliegen waar ze willen, ik héb ze niet. Als ze morgen niet meer willen komen is dat jammer, maar ze zijn niet het enige waar ik voor leef. Ook zonder hen ben ik gelukkig.’
‘Stel je voor dat de vogeltjes in je tuin langzaam wegkwijnen. Dat je die dieren ziet afzien en levenloos worden... dag na dag... Je beste vrienden. Als je ontdekt wie daar schuld aan heeft... het is een gruwelijke daad die Mart gesteld heeft...’
‘Je kon haar aangeven bij de politie. Samen met de apotheker in het dorp. Ze zouden allebei gestraft zijn. Maar je doodde haar...’
Bert hoorde haar niet eens. Hij bleef maar doorpraten, zichzelf uitleggend, zichzelf verdedigend, en smekend om gratie. ‘Marianne... zul je me met rust laten? Jij begrijpt het. Jij bent de enige die me kan begrijpen. Met de vogeltjes in je tuin... Zul je het zo laten? Je hoeft de politie niet te bellen. Als ze je iets vragen, zeg dan dat je niets weet. Ik haal de ijzertjes uit de bamboefluit en het is geregeld. Je zal me niet aangeven... Jij begrijpt het...’

Op dat ogenblik kwamen de geüniformeerde mannen die in de deuropening hadden gestaan in actie.
‘Ze hoeft de politie niet te bellen,’ zei de eerste agent. Hij stapte naar voren, zodat Bert hem kon zien. ‘Dag Bert. We zijn hiernaartoe gekomen om te melden dat Mart het niet gehaald heeft. Ze is een uur geleden aan haar bizarre toestand overleden in het ziekenhuis.’
Gealarmeerd richtte Bert zich op. Steunend op zijn handen. Hij keek om zich heen. ‘John... John...’
‘Ik heb alles gehoord wat je Marianne verteld hebt. Kun je opstaan en met ons meekomen naar het bureau?’ Het klonk niet als een vriendelijke vraag, het was een bevel.
Even leek het alsof Bert opnieuw zou flauwvallen van de schrik. Maar de agenten hadden hem al in een krachtige greep en ondersteunden hem bij het rechtop komen.
‘Als je vrijwillig meegaat, hoef ik je geen handboeien om te doen,’ zei de agent die John heette.
Bert liet zich zonder verzet meevoeren naar de politieauto.

Marianne volgde de mannen naar buiten. John vertelde nog meer over Mart. ‘Tot nu toe was de doodsoorzaak onbekend. Maar het parket zal erop studeren, met alles wat Bert uitgelegd heeft. Eén ding is alvast zeker, ze heeft geen pijn gehad. Tenminste, we denken van niet. Ze is gewoon steeds dieper in haar comateuze situatie weggezakt. Plots is ze gestopt met te vechten voor haar leven, en dan was het helemaal afgelopen.’
Toen keek hij naar de blauwe plekken, de schrammen met vers bloed op haar lichaam en ging hij over tot de volgende fase. ‘Marianne... voordat we hier aankwamen, voordat je Bert met de bamboefluit hebt kunnen bedwingen – jullie hebben gevochten?’
Hij verzocht haar om ook mee te komen naar het bureau. Ze moest een doktersonderzoek ondergaan, al haar verwondingen moesten officieel genoteerd worden en ze zou een eerste getuigenverklaring afleggen.
‘Goed,’ zei ze. ‘Ik kom naar het bureau en zal me officieel door een arts laten onderzoeken. Maar... Ik heb geen zin om in dezelfde politieauto als Bert weggevoerd te worden. Ik ga eerst naar huis mijn auto halen, dan kom ik.’
John controleerde hoe Marianne zich bewoog. Ze was stijf in haar ledematen, en bij het stappen wrongen allerlei plaatsen tegen over haar hele lichaam.
‘Nee,’ zei hij. ‘Waarschijnlijk heb je niets gebroken, maar ik wil het risico niet lopen. Ik roep een tweede auto op. Eventjes geduld, en de taxi komt je halen. Goed?’
Hij belde een tweede politiewagen, installeerde Marianne op de bank voor het huis en vertrok.

Met een wezenloos gevoelen zat Marianne op de bank te wachten. Haar hoofd tolde. Haar ledematen deden pijn.
Voor de bank hupte een roodborstje haar tegemoet, tjilpend, testend of ze misschien iets te eten bij zich had. Ze kende de roodborstjes. Ook in haar tuin durfden ze erg veel.
Ze floot het beestje een vriendelijke goeiedag en kreeg een liedje terug. Ze floot nog eens. Het beestje gluurde snel en recht in haar ogen. Dan fladderde hij weg en dook in een diepe plas naast het voetpad. Hij dronk en hij tjilpte en zijn gezang werd beantwoord vanuit de struiken. Het leek wel alsof de hele tuin feest vierde. De menselijke bekommernissen gingen helemaal aan de roodborstjes voorbij.


(wordt vervolgd)


Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens