dinsdag 25 september 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Manon - De bamboefluit (3/11) - een poëtische thriller
Gepubliceerd op: 23-05-2011 Aantal woorden: 903
Laatste wijziging: 23-05-2011 Aantal views: 1705
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

De bamboefluit (3/11) - een poëtische thriller

Manon


(Wat voorafging: Marianne wil aan Bert vragen of hij haar kan helpen om de bamboefluit te leren bespelen...)

De volgende dag deed Marianne precies dezelfde avondwandeling, en daar had ze een goede reden voor. Vanavond wilde ze het hem vragen. Aan Bert. Alles wat hij haar eventueel kon vertellen over de bamboefluit. Of hij haar op weg kon helpen, tips en trucs had om het instrument te leren bespelen.

De wind was helemaal gaan liggen. Af en toe druppelden er enkele spatjes van een fijne neerslag op haar huid. Het symfonische gezang van mezen, vinken, roodborstjes, kwikstaartjes en merels vergezelde haar de hele weg. Niet voor lang meer, wist ze. Ze zongen hun avondlied. Over een uur zouden ze zwijgen en zou de stilte van de vallende nacht hoorbaar worden. Maar nu klonken de diertjes des te luider.

Marianne floot niet mee. Ze neuriede ook geen wijsje. Ze antwoordde niet op het gezang van de merel die haar kwetterend recht in de ogen keek. In haar was er slechts stilte. Haar voetstappen weerklonken op de aardeweg tussen de krakende takken, aarde, steentjes onder haar schoenen. Even dook het motorgeluid van een vliegtuig op in de lucht. De stilte in haar hoofd werd er niet door onderbroken.
Toen ze voorbij de vijver kwam, plonsde een hele resem kikkers tegelijk het water in. Padden krasten met hun rauwe stemmen.

Marianne naderde de kennel. Net als de voorbije dagen waren er ook vandaag geen blaffende honden te horen. Evenmin stil gejank, sporadisch gehuil of geblaf zoals de laatste maanden vaak het geval was geweest. Ze luisterde of ze van hier al het gefluit van het bamboe-instrument kon ontwaren.

In plaats daarvan hoorde ze een gehuil... het bekende gehuil. Niet dat van een troep honden in de nacht, maar van een ambulance. Geluid van een motor. Een wagen die aankwam, brutaal remde en stopte.

Ze rende. Het huis van Bert en Mart kwam in zicht, en zelfs vanop deze afstand kon ze zien dat het een ziekenauto was. Ze rende zo hard als ze kon, ze zag mensen af en aan gaan. Mannen met een brancard kwamen naar buiten.
Het gebiep van een hartdefibrillator.
Op de brancard lag een lichaam en daarnaast stapte iemand... Bert.

Hij mocht niet mee de ambulance in. De deuren werden gesloten. Het geluid van een motor die razendsnel optrok. Het alarmsysteem. De klank van dringende, gevaarlijke situaties. Marianne holde zo snel als ze kon.
Bij het huis hoorde ze een verpleger zeggen: ‘Bert, ze is nu in goede handen, er wordt voor haar gezorgd.’

Bert zag er niet uit alsof hij één woord gehoord had. Hij schreeuwde het uit. ‘Mart! Mart! Mŕŕŕŕrt’. Hij graaide met zijn armen, alsof hij zo de wegrijdende ambulance nog had kunnen vangen, wat voor de hulpverleners een aanwijzing was om Bert nog beter vast te houden. Afwezig staarde hij naar de grond, de grijze weg onder hem. Zachtjes dwingend probeerden de mannen hem nu in de richting van zijn huis te duwen. Hierbij botste Bert bijna op Marianne, die hijgend en met grote ogen stond te kijken. Ze greep hem bij de schouders.
‘Bert! Wat is er gebeurd? Wat is er met Mart?’
Hij keek haar verdwaasd aan.
Een verpleger zei: ‘Zijn vrouw is onwel geworden. Ze wordt naar het ziekenhuis gebracht.’
‘Wat heeft ze? Wat is er met haar?’
‘Ze gaat eraan!’ riep Bert. ‘Ze gaat eraan! Ze gaat erŕŕŕŕn!!!’ Het klonk meer als het geschreeuw van een dier in nood dan als het gejammer van een mens. Dit verschijnsel was de verplegers maar al te goed bekend. Ze hadden al het nodige materiaal bij zich. Zonder dat hij het besefte, stak er ineens een spuit in de arm van Bert, en zonder dat hij ook maar iets gevoeld had, was de spuit geledigd en weer weggetrokken. Een kalmerend middel. Het had onmiddellijk effect.

Bert stopte met schreeuwen. Zijn lichaam schokte nog wat na terwijl hij stilletejs voor zich uit bleef mompelen: ‘Ze gaat eraan... ze gaat eraan...’ Maar hij liet zich terug naar binnen loodsen. Marianne volgde hen. Ze keek toe hoe Bert in een zetel werd geholpen, hoorde een verpleger de juiste, rustige woorden tot hem spreken.

Na een tijd begon Bert steeds meer besef te krijgen van de omgeving, de mensen die hem verzorgden. De verplegers overwogen om te vertrekken. Marianne verzekerde hen dat ze bij Bert zou blijven. Ze zou hem zeker niet alleen laten voor ze er zeker van was dat hij op zichzelf kon passen. Ze kon hem naar het ziekenhuis brengen. De verplegers vonden dat ze hun taak beëindigd hadden. Ze lieten wel een doos met tabletjes achter die Bert kon innemen als hij voelde dat de paniek weer de overhand zou nemen.
‘Is het goed zo, mijnheer?’
‘Zal het gaan, mijnheer?’
Bert knikte dat hij het allemaal begreep. Hij zou het redden. Hij zou naar zijn vrouw gaan en bij haar blijven.
De verplegers schudden Marianne de hand. ‘Fijn dat je hem wil helpen,’ zeiden ze;
‘Geen probleem.’

Ze keek toe hoe de mannen verdwenen in de gang. Even later hoorde ze de klap van de voordeur die in het slot viel. Bert zat ontredderd in het rond te kijken en Marianne bracht een stoel voor zichzelf tot vlak naast zijn zetel.

Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens