vrijdag 21 juli 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Judith - Het wonder
Gepubliceerd op: 16-05-2011 Aantal woorden: 2385
Laatste wijziging: 27-03-2017 Aantal views: 1662
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Het wonder

Judith


Het uitzicht vanaf de tiende verdieping van Geinwijk was fenomenaal. Frits stond met een kop koffie in zijn hand voor het raam van zijn huiskamer en zag in de verte een groot deel van de zuidkant van Amsterdam liggen. Die aanblik maakte niet veel emoties in hem los. Hij was op deze dag precies eenendertig jaar geleden in datzelfde Amsterdam geboren, maar de stad lag hem niet echt na aan het hart.
Op negenjarige leeftijd was hij met zijn ouders naar Doetinchem verhuisd en daar, in die nuchtere industriestad, in die mooie Achterhoek, lagen dus wel vrijwel al zijn roots. Zijn ouders en zijn vrienden woonden er nog en ook de vrouw, waarvan hij een paar maanden geleden was gescheiden. Hij voelde geen hartzeer over zijn scheiding; hij en zijn ex-vrouw waren op een vriendelijke manier uit elkaar gegaan. Ze hadden geen kinderen en omdat zijn ex-vrouw minstens zo goed verdiende als hij, had hij aan de scheiding ook geen alimentatieverplichtingen overgehouden.
De scheiding was wel een goede aanleiding voor een nieuw begin en een nieuw leven geweest. Twee maanden geleden had hij dus een goedbetaalde baan als computerprogrammeur bij de Amstelveense vestiging van Texas Instruments aangenomen en een maand geleden was hij in dit tweekamerflatje in zijn geboorteplaats neergestreken. Hij had het wel naar zijn zin bij Texas Instruments, maar de thuiskomst in dit flatje in die koele, zakelijke Bijlmermeer-in-opbouw was elke avond weer een kwelling voor hem. Hij miste iets en hij wist maar al te goed, wat hij miste en door wie dat gemis werd veroorzaakt.
Hij miste Conny, zijn voormalige, tien jaar oudere buurmeisje uit zijn kindertijd. Zijn vertrek naar Doetinchem in de lente van 1951 had ook tot een afscheid van Conny geleid en dat afscheid leek hij nooit goed te hebben verwerkt. Dat was minder raar dan het leek. In de eerste negen jaar van zijn leven was zij altijd in zijn nabijheid geweest. In die oorlogsjaren en vooral in die afgrijslijke hongerwinter had zij zich zelfs tot zijn grootste zijn steun- en toeverlaat ontpopt. Zonder haar was de honger en het gebrek in die laatste oorlogswinter hem fataal geworden. Haar vrolijke karakter, haar tederheid, haar liefde voor hem hadden hem in leven gehouden. Hij wilde in die winter van 1945 simpelweg niet sterven, omdat hij haar niet kon missen. Als hij haar niet had gehad, had hij het opgegeven.
Na zijn verhuizing waren ze elkaar echter vrij snel uit het oog verloren. Zij had zijn eerste briefje nog wel beantwoord, maar de tweede niet meer en hij had niet de moed gehad om een derde en een vierde briefje te schrijven. Toch ging er na al die jaren geen dag voorbij, waarop hij niet aan haar dacht. Hij wilde dolgraag weten, waar zij woonde, of zij was getrouwd en een gezin had gesticht. Zij moest nu eenenveertig zijn; zij was in de voorbije eenentwintig jaar waarschijnlijk tot een mooie, mollige matrone uitgegroeid. Hij besefte, dat hij nog steeds zielsveel van haar hield, dat zijn kalverliefde voor haar zijn volwassenwording moeiteloos had overleefd. Hij schaamde zich daar wel een beetje voor en eigenlijk ook weer niet: het was waarschijnlijk iedere jongen overkomen, die op die plek en in die tijd het levenslicht had gezien en was opgegroeid.
Hij keerde zich om en keek naar het gloednieuwe telefoonboek van Amsterdam, dat sinds een paar dagen op zijn bank lag. Tot nu toe had hij het nog niet ingezien. Hij wilde pas op deze dag, op deze stralende zaterdag in juli 1972, aan zijn zoektocht naar Conny beginnen. Simpelweg door te kijken, of zij in het telefoonboek stond. Hij vond het zelf een onzinnig voornemen. De kans, dat zij onder haar eigen naam in het telefoonboek stond, was in zijn ogen nihil. In dat geval zou zij niet getrouwd zijn en nog steeds in Amsterdam wonen. Het laatste zou natuurlijk heel goed mogelijk kunnen zijn, het eerste niet. In zijn jeugd was Conny het mooiste meisje van Nieuwendam en misschien wel van heel Amsterdam-Noord geweest. De kans, dat zij nooit een man had kunnen vinden, moest toch echt verwaarloosbaar klein worden geacht.
Toch kon hij zich er niet van weerhouden om naar de bank te lopen. Hij zette zijn kop koffie op de salontafel neer, ging op de bank zitten en nam het telefoonboek ter hand. Zijn vingers trilden hevig, toen hij door het telefoonboek begon te bladeren. Het duurde dan ook vrij lang, voordat de pagina met het begin van de 'Bo'-namen open lag en zijn ogen zonder enige hoop aan de zoektocht naar de in Amsterdam woonachtige Böhmermannen begonnen.
Hij vermoedde, dat Conny's vader nog wel in het boek stond en hij verwachtte elk moment de naam van de op de Monnickendammerweg woonachtige B. Böhmermann op zijn netvlies te zien verschijnen, maar dat gebeurde dus niet. Wat hij tot zijn enorme verbijstering wel zag, was de naam van een op de Heggerankweg woonachtige C. Böhmermann. Het schemerde hem even voor de ogen; daarna slaakte hij een woeste kreet, wierp hij het telefoonboek van zich af en begon hij als een gek door het flatje te rennen. Hij had haar gevonden. Zij was inderdaad niet getrouwd, zij woonde nog steeds in Amsterdam-Noord en hij kon haar zo bellen als hij dat wilde.
Hij slaakte nog een paar woeste vreugdekreten, rende nog een paar keer heen en terug naar de keuken aan de galerijzijde van de flat, maar na het derde, ultra-korte bezoek aan die keuken drong opeens het besef tot hem door, dat er misschien toch een andere C. Böhmermann op die smalle Heggerankweg woonde. De naam Böhmermann kwam weliswaar niet zo vaak voor en hij meende zich te herinneren, dat Conny geen nichtjes en neefjes had, wier naam met een 'C' begonnen, maar honderd procent zekerheid zou hij pas krijgen als hij de telefoon pakte en het nummer gewoon draaide.
Hij was natuurlijk doodsbang om alsnog teleurgesteld te worden; hij wist echter maar al te goed, dat hij geen rust zou hebben, voordat hij zeker wist, dat Conny daadwerkelijk in het huis aan de Heggerankweg woonde. Dus begon hij heel secuur aan de voorbereidingen voor dat allesbeslissende telefoongesprek. Hij pakte een stoel uit de keuken, zette hem voor de telefoon, die op het wandmeubel stond, nam het telefoonboek weer ter hand en zocht de pagina op, waarop de naam van de mysterieuze C. Böhmermann stond vermeld.
Met een hevig kloppend hart ging hij op de stoel zitten. Hij wist niet, wat hij zou zeggen als hij Conny aan de lijn kreeg; hij wist alleen maar, dat hij de hoorn meteen weer op de haak zou gooien, als hij iemand anders aan de lijn zou krijgen. Hij dacht aan die vele heerlijke zaterdagavonden tussen 1945 en 1951, die ze samen hadden doorgebracht, hij dacht aan haar knappe gezichtje, met haar lange, donkerbruine haren, aan haar mooie, mollige lijf en aan haar prachtige benen, hij dacht aan haar mooie, altijd strak zittende verpleegstersuniform en aan haar mooie kousen, waar zij altijd zo trots op was, hij dacht aan de argeloze manier, waarop hij altijd met haar benen en haar kousen had mogen spelen als ze samen naar de radio luisterden en hij dacht aan de mogelijkheid, dat hij aan dat kinderspelletje nu eindelijk een wat meer volwassen vervolg zou kunnen geven.
Die laatste gedachte bleek de doorslag te geven. Hij trok de telefoon naar zich toe, nam de hoorn van de haak en draaide zonder enige hapering het nummer, dat hij inmiddels al uit zijn hoofd kende. Met een leeg hoofd hoorde hij de telefoon daarna een paar keer overgaan. Uiteindelijk werd de telefoon opgenomen en hoorde hij een vrouw de woorden "Met Conny!" uitspreken.
"Met Conny?", vroeg hij verdwaasd, en met een door emotie verwrongen stem.
"Ja, u spreekt met Conny Böhmermann!", zei zij, hoorbaar geïrriteerd, "Met wie spreek ik?"
"Je spreekt met Fritsje!"
"Fritsje?"
"Fritsje van Soest! Je vroegere buurjongen van de Monnickendammerweg."
"Oooooh... Dat meen je niet!"
"Ik meen het wel!"
"Ben je het echt?"
"Ja, ik ben het echt!", zei hij, terwijl hij zichzelf weer een beetje onder controle kreeg, "Ik, eh... woon sinds kort weer in Amsterdam en was heel benieuwd, hoe het met je ging."
"Hoe ben je in godsnaam aan mijn nummer gekomen?"
"Ik heb gewoon maar in het telefoonboek gekeken."
"O, wat leuk!", riep zij lachend uit, "En wat slim van je! O, lieverd, wat vind ik het heerlijk om na al die jaren eindelijk weer eens je stem te horen!"
"Ik vind het ook heerlijk om jouw stem weer te horen! Ik heb je echt vreselijk gemist, in de afgelopen eenentwintig jaar."
"Is dat echt zo?", murmelde zij, hoorbaar ontroerd, "O, wat ben je toch een schatje!"
"Maar hoe is het met jou? Ben je getrouwd? Heb je kinderen?"
"Ik ben getrouwd geweest! Ik heb in 1951 mijn man ontmoet en ben in 1954 met hem getrouwd, maar we zijn in 1968 alweer gescheiden en mijn ex heeft twee jaar later ook nog eens zelfmoord gepleegd. Dus dat huwelijk van mij was niet zo'n succes."
"Dat spijt mij voor je!"
"Maar ik heb gelukkig wel een lief, mooi dochtertje van zestien aan mijn huwelijk overgehouden."
"Ah, dat is mooi!"
"En jij?"
"Ik ben ook getrouwd geweest en ik ben nu ook gescheiden, maar mijn ex leeft dus nog wel. Zij woont in ons huis in Doetinchem. Maar we hebben geen kinderen. En ik leef dus sinds kort in een tweekamerflatje op de tiende verdieping van Geinwijk in de de Bijlmermeer."
"Alleen?", vroeg zij, met een toch wel schalks lachje.
"Ja, en dat zal ook wel zo blijven, denk ik."
"Waarom?"
"Omdat ik jou nooit uit mijn hoofd heb kunnen zetten. Ik bleef in al die jaren maar aan je denken, zelfs toen ik met het mooiste meisje van Doetinchem was getrouwd."
"Zulke dingen mag je niet tegen een eenzame weduwe zeggen, Etterbak Fritsje!", riep zij schaterend.
"Waarom niet, Etterbak Conny!", vroeg hij, zelf ook lachend om die oude, o zo vertrouwde koosnaampjes.
"Omdat zij dan bepaalde verwachtingen gaat koesteren, die jij dan misschien niet kunt inlossen."
"En als ik absoluut zeker weet, dat ik ze wel kan inlossen?"
"Tja, dan mag je die dingen natuurlijk wel zeggen."
"Prima! Dan zeg ik het nog een keer: ik heb je nooit uit mijn hoofd kunnen zetten en ik wil je dolgraag en zo snel mogelijk terugzien."
"Zal ik zometeen naar je toe komen, dan? Trudy, mijn dochter dus, logeert met haar vriendje bij haar oma in Castricum en komt dit weekend niet thuis. We hebben dus het hele weekend om weer bij te praten."
Op dit moment in het gesprek vond Frits het nodig om zichzelf even stevig in zijn linkeronderarm te knijpen. Hij wilde toch wel even zeker weten, dat hij op dit moment niet in een fantastische droom was verzeild geraakt.
"Waarom gil je zo raar?", vroeg zij, een beetje verbaasd.
"Ik wilde er even zeker van zijn, dat ik niet droomde. Ik had niet verwacht, dat ik je vandaag al zou vinden en dat ik je vanmiddag al zou terugzien en dus..."
"Heb je jezelf maar even in je arm geknepen?"
"Ja, en dat deed flink veel pijn."
"Goed zo! Maar je droomt dus niet, schatje! En ik kom er echt aan!"
"Nu meteen?"
"Nou, ik wil eigenlijk eerst even mijn vieze verpleegsteruniform en mijn vieze kousen uittrekken. En daarna wil ik even douchen en mooie kleren en schone kousen aantrekken. En daarna wil ik mijzelf eigenlijk ook wel een beetje mooi maken voor jou."
"Ik heb liever, dat je nu een taxi belt en jezelf meteen op mijn kosten naar Geinwijk 1066 in de Bijlmermeer laat brengen!"
"Op jouw kosten wil ik mijzelf best wel met een taxi naar Geinwijk 1066 in de Bijlmermeer laten brengen, hoor!", zei zij, op een zoetsappig toontje, "Maar ik begrijp niet, waarom ik niet eerst mag douchen en mij effe mag omkleden."
"Omdat de Conny in haar witte verpleegsteruniform en haar bruine nylonkousen al eenentwintig jaar op mijn netvlies staat gegrift. Als ik aan je dacht, en dat deed ik dus elke dag, dan had je altijd dat witte verpleegstersuniform en die bruine nylonkousen aan. En zo wil ik je dus ook dolgraag zien, als ik je zometeen terugzie."
"Hm, als ik je zo hoor, dan begin ik het donkerbruine vermoeden te krijgen, dat we zometeen heel snel in je bed zullen belanden. En dat we ons dan niet, zoals vroeger, tot knuffelen en kletsen zullen gaan beperken."
"Ik hoop het, Etterbak Conny!"
"Hoop je dat echt, Etterbak Fritsje?"
"Ja, er is echt niets, wat ik liever wil."
"Nah... We zullen zien, of je er nog net zo over denkt als je straks een mollige, hevig bezwete weduwe van eenenveertig voor je deur ziet staan."
"Bel nou maar gauw een taxi! Dan zal ik, als je eenmaal hier bent, al je verwachtingen één voor één laten uitkomen."
"Daar zal ik je aan houden, hoor!", zei zij giechelend, "Goed, dan hang ik je nu op! En dan ga ik daarna meteen een taxi bellen."
"Goed, dan zie ik je zo!"
"Dag Etterbak Fritsje! Tot zo!"
"Dag Etterbak Conny! Tot zo! En vergeet niet, dat ik op Geinwijk 1066 woon."
"Dat heb ik daarnet al opgeschreven, malle jongen! Wees maar niet bang! Ik zal heel snel bij je zijn en ik ga je nu dus echt ophangen!"
"Doei!"
"Doei!"
Hij legde heel aarzelend de hoorn op de haak en liet zich daarna langzaam van de stoel glijden, tot hij geknield en met zijn handen voor zijn gezicht op de vloer zat. Hij was niet echt godsdienstig opgevoed, maar hij zond nu toch een kort, maar welgemeend dankgebed hemelwaarts. Een paar seconden later stond hij weer op. Hij moest natuurlijk nog wel het een en ander opruimen, voordat hij Conny in dit rommelige vrijgezellenflatje kon ontvangen. Dat opruimen verliep snel en efficiënt, eigenlijk op dezelfde snelle, efficiënte manier waarop hij Conny daarnet weer in zijn leven had getrokken. Hij was er vast van overtuigd, dat er ditmaal geen nieuw afscheid zou volgen. Ruim dertig jaar later zou blijken, dat hij daarin inderdaad gelijk had gehad. Ditmaal zou zij hem niet meer loslaten; ditmaal zou zij tot haar dood in 2004 een onmisbaar en onlosmakelijk deel van zijn leven blijven.

Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens