zondag 15 juli 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Manon - De bamboefluit (1/11) - een poŽtische thriller
Gepubliceerd op: 16-05-2011 Aantal woorden: 1183
Laatste wijziging: 18-05-2011 Aantal views: 1824
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

De bamboefluit (1/11) - een poŽtische thriller

Manon


Marianne trok het ijzerdraad hard aan. Dan sneed ze het door met een tang.

Twee nestkastjes naast elkaar. In gedachten kon ze hen al horen, de gierzwaluwen die er hun intrek zouden nemen. Hun stemmen zouden goed passen bij het geroep van de buizerds. En bij het gekras van de uilen in de nacht.

Ze bestudeerde haar hele huis. Vogelkastjes had ze echt wel genoeg. Op het dak had ze die speciale dakpankastjes geÔnstalleerd voor de mus, die vrolijke, eigenwijze mus die vroeger zo overvloedig voorkwam maar nu niet meer, onder meer door een gebrek aan geschikte broedplaatsen.

Ook in haar wilde tuin met oude bomen had Marianne volop nestkastjes gehangen. Haar vrienden maakten er een spel van. Als ze kwamen gingen ze de tuin in en begonnen te zoeken, zoals kinderen naar paaseieren. Ze telden de nestkastjes, probeerden te raden voor welke vogelsoort ze bedoeld waren en er niet ťťn te missen. In de herfst en de winter, als het broedseizoen voorbij was, hadden ze nog veel meer werk. Dan zochten ze naar mezenbollen, pindanootjes, voederbakjes allerhande. En natuurlijk stonden er ook badjes met water waarin de vogels ís zomers hun dorst konden lessen en zich konden verfrissen, en waar ze in de winter, als het vroor, toch altijd over een minimale hoeveelheid lauw water beschikten.

Marianne raapte de restjes van het ijzerdraad bij elkaar en bracht ze naar binnen. In de keuken draaide ze het fornuis uit en rook even aan de courgettencoulis die stond te pruttelen. Walmen van munt, look en peper kwamen haar tegemoet. Heerlijk.

Het was zes uur. De lichte, frisse lentezon zou niet lang meer schijnen. Rond zeven uur verwachtte ze Sylvester. Ze had nog net de tijd voor haar dagelijkse avondwandeling. Over een uur was ze vast wel terug.

De voordeur trok ze achter zich dicht. De achterdeur was niet op slot, en dat wist Sylvester. Dat wist iedereen in het dorp waarschijnlijk. Maar niemand zou binnenkomen. Waarschijnlijk zelfs Sylvester niet. Als hij te vroeg was zou hij rondlopen in haar tuin en kijken hoe haar planten zich ontwikkelden in de jonge, levendige lente. Hij zou ruiken, kijken, voelen en een late zonnestraal opzoeken om wat in te liggen.
En hij zou de nieuwe zwaluwkastjes bestuderen. Vanzelfsprekend.
Terwijl ze stapte belandde Mariannes brein opnieuw bij geluiden van gierzwaluwen.

Op het einde van haar straat liep het asfalt uit in een wegvernauwing. Een slecht onderhouden, smal betonnen pad vormde de opening naar dichte bossen. Telkens als ze er kwam werd Marianne gegrepen door de andere sfeer die heerste binnen de beslotenheid van de bomen. Hier had de natuur nog niet veel van haar kracht afgestaan aan de mens. Het zigzaggende pad was het enige teken van menselijke aanwezigheid. Hoe dieper Marianne in het bos doordrong, des te dikker werden de stammen. De afgelopen dagen had het veel geregend en tegelijk waren er vele zonnige uren geweest. Het bos was tot het volle besef gekomen dat de lente zich ontplooide en dat de zomer in aantocht was. Het was alsof het leven ontplofte, en zelfs in de avond was het nog volop aan het zingen. Het duurde niet lang eer Marianne meezong. De roep van de merel was makkelijk om na te bootsen. De vogel antwoordde meteen. Dit was zijn gebied, en dat zou hij elke andere merel laten weten, ook als die andere merel een fluitende mens was.

Ze floot met de vogels mee en tussendoor neuriede ze af en toe een mensenwijsje. Op de plaats waar het bos eindigde en uitliep op een pad in de velden, met verderop enkele oude boerderijen, zag ze een buizerd op een paal zitten, en ze imiteerde zijn lange, scherpe roep. De vogel staarde haar aan. Ze keek terug en floot nog eens, intens, luid. De buizerd nam niet eens de moeite om op te stijgen. De afstand tussen hem en Marianne was nochtans niet groot. Misschien had hij een konijn in zicht dat hij niet uit het oog wilde verliezen, maar Marianne had eerder het gevoel dat de vogel haar al kende. Ze kwam heel vaak deze richting uit, en heel vaak zag ze deze buizerd en floot ze naar hem. Waarschijnlijk wist de prooivogel het al: 'Daar heb je weer die rare niet-buizerd die fluit als een buizerd maar niet kan vliegen en me nooit achterna gaat.' Hij volgde haar met zijn scherpe blik tot ze helemaal voorbijgelopen was, en bleef rustig zitten op zijn paal, in de avondzon.

In de velden stonden koeien en schapen te genieten van de zachte buitenlucht. Verderop was een paardenweide. Onlangs had de eigenaar ook twee ezels aangeschaft, een mannetje en een wijfje. Marianne trok haar jekker dicht. Buiten de beslotenheid van de bomen waaide de wind helemaal vrij. Het was het soort wind die niet snel zou gaan liggen en hij voelde koud aan in de vallende avond.

Ze kwam voorbij een kleine vijver, waar een andere buizerd over vloog Ė de partner van de vorige? Vormden ze een koppel? Hoe vaak had ze aan deze vertrouwde vijver de vertrouwde plons van springende kikkers kunnen horen. Niet vandaag. De wind ruiste te hard om gekwaak of geplons te laten doorkomen. Maar ook niet elke windstille dag kon ze de sprongen en capriolen bij de vijver volgen. Kikkers en padden hadden hun eigen ritme.
De baan verbreedde weer. Even verderop stond de woning van Bert en Mart.

Bert had een kennel. Hij richtte honden af voor hun bazen en hij kweekte ook zelf honden. Speciale rassen. De wolfshonden uit het hoge noorden waren erg in trek. Ze zagen er niet zo afschrikwekkend uit als de gemene rottweilers of pitbulls, maar wie enkele van deze net-niet-een-wolf hond rond zijn huis liet lopen en vervaarlijk had leren grommen en blaffen, kon er vrij zeker van zijn dat geen dief het zou wagen om proberen binnen te dringen. Daar zorgde Bert onder meer voor in zijn opleiding van de honden.

Vaak hoorde Marianne de dieren die tot waakhond werden opgeleid in hun kennel blaffen als ze hierlangs wandelde. Andere honden in opleiding jankten dan weer. Een tijdlang verjoeg hun gehuil en geblaf dan de andere natuurgeluiden, het getjilp, het gekwaak, het gekras van krekels.
Het had haar al getroffen dat de honden de laatste maanden soms veel rustiger waren. Dan blaften ze minder vaak en minder hard. De voorbije dagen waren de honden nog rustiger. Rond de kooien stonden jonge bomen. De magere stammen plooiden in de wind. Slechts het geruis van de wind in de ontluikende lentebladeren bereikte Marianne. Als ze niet had geweten dat hier een kennel was, zou ze het niet eens vermoed hebben.
Toen bereikte een ander geluid Marianne. Iets wat ze nooit eerder had gehoord.

Of toch wel. Ze had het zelfs al heel vaak gehoord. Het stond op verscheidene van haar favoriete cdís. De muziek was alleen maar een gefluit, eenvoudig, eenzaam, bijna stil.
Het was de sobere klank van een blaasinstrument.
De bamboefluit.

Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en Renť Claessens