woensdag 24 januari 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Manon - Geborgen in regen
Gepubliceerd op: 11-05-2011 Aantal woorden: 957
Laatste wijziging: 11-05-2011 Aantal views: 1278
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

Geborgen in regen

Manon


Een natuurbeleving van nattigheid die geen natte droom is. Draai de knop dus maar om voor een (min of meer) poëtisch prozagedicht over regen. Het speelt zich af in de omgeving van das Schwarzes Venn in België en eindigt onder een warme donsdeken.


Regen waait tegen het dak.
Een kamer onder de pannen. Op de hoek van het huis.
Gietende regen, de hele nacht door.
Het is alsof je in een loeiende zee woont, tussen opspattende golven.
Kletsende regen om je heen.

Geruststellend geluid van regen.



Associatie met die ene keer in het bos. Een hete zomerdag en onverwacht kwam er toch regen. Eerst miezerend, maar je stapte onder een bladerdak, voelde er nauwelijks iets van en sloeg er geen acht op. Dan merkte je dat je in de verkeerde richting liep. Om niet op je passen terug te keren ging je gewoon het bos in, tussen de bomen, in de richting vanwaar je fout was beginnen te lopen. Je liep vol vertrouwen op je oriëntatievermogen en drong dieper en dieper het bos in. Ondertussen werd het miezeren echt regen. Gewone druppels werden dikker. Hevige regen ging over in stortregen. De wind wakkerde aan.

Je dacht dat je onder de bescherming van de bomen wel aan het ergste zou ontsnappen en je zocht hun beschutting op. Er waren echter geen goede, grote loofbomen met dikke, afdekkende bladeren. Enkel jonge bomen met kleine blaadjes. Grote dennen waren dus de beste keus. Hun naalden boden verbazend goed onderdak – net een strodak – zeker als je aan de juiste kant van de dikke stam ging staan. Je luisterde naar het geluid van de hevige regen op de bomen. Een hele tijd genoot je ervan met al je zintuigen, alleen die geur al, de geur van vochtige dennen, van natte grond en van een lucht vol water. Je merkte hoe het ritmische gekletter van druppels steeds sterker, steeds intenser werd.

Je voeten woonden in natte sokken. En niet alleen je sokken waren nat. Ook je shirt kreeg een donkere glans door het vele vocht. Voorlopig hield je dikke jeansbroek het wel nog uit. Je stond daar en wachtte. Je vroeg je af hoe het mogelijk was dat jij, die altijd alles voorziet en die altijd prima het weer voorspelt, de wolken en hun vracht verkeerd had ingeschat. Hoe was jij in deze situatie terechtgekomen, waarom was je niet zo voorzichtig geweest om je poncho mee te nemen? Je hebt altijd iets bij je tegen de regen en nu had je niets, totaal niets.

Terwijl je zo mijmerde waaide de wind nog intenser en werd het kouder. Ineens was de regen niet transparant meer maar wit. Witte nattigheid viel als een gordijn uit de lucht en bleef maar komen. Minutenlang. Je dacht aan het putje van de winter, aan sneeuw. Je dacht aan ‘I’m dreaming of a white christmas’. Maar de witte regen werd geen sneeuw. Hij werd wel kouder, balde zich samen en viel als hagelstenen uit de lucht.

Inmiddels was ook je jeans doorweekt, maar je lette er niet op. Nat zijn was nu doodgewoon. De hagelbui ontwijken was wat telde. De wind was intens en miljarden puzzelstukjes bevroren lucht vielen met een enorme kracht naar beneden. Zelfs onder de beschutting van de boom vroeg je je af of het geen pijn zou doen als één van die dikke bollen tot op je hoofd zou doordringen.
Gelukkig stond je goed. Aan de juiste kant van de stam volgens de windrichting. Niet één hagelsteen kwam terecht op je lijf.

Na lange, lange minuten ging de wind liggen en veranderde hagel weer in hevige regen. Je had nog kunnen blijven staan en schuilen tot ook die zou stoppen. Maar ach, je was toch al doorweekt. Je besloot om de terugweg verder te zetten, ook al zag je nauwelijks iets voor je ogen. Je kon nog net onderscheiden waar je je voeten liet neerploffen. De droge aarde van zo-even was een grote modderpoel geworden. Om niet uit te glijden of weg te zakken, plaatste je je schoenen altijd op toefen gras. Daar was je min of meer zeker dat de bodem niet teveel onder water zat. Je hoorde elke sompige stap, een dialoog tussen schoenen, aarde en water verzameld in een klank van zuigende aarde.

Zo ging je verder, zonder veel te zien, maar je kende de richting. Het laatste eindje was zelfs makkelijk. Toen je je terug op het pad bevond was de regen nog wat aan het namiezeren, maar je was zo nat dat je er helemaal niets van voelde. Je had nu uitzicht op waar je naartoe ging. Het pad was niet zo’n vreselijke modderpoel, de stevige bomen hadden het daarvan gevrijwaard.

Thuis hoorde je iedereen vertellen over de totaal onvoorspelbare, plotse verandering van de windrichting. Je trok je kleren uit, maar niet zonder moeite. Ze waren zo doorweekt dat je ze nauwelijks van je lichaam kreeg. Ze zaten stevig vastgezogen tegen je vel en lieten niet los. Achteraf hield je de kleren in je handen en keek er verbaasd naar. Ze zagen eruit alsof je ze had opgediept uit de bodem van een rivier.

Niet alleen de kleren waren nat, ook je lichaam was doorweekt tot op het bot. Je droogde je huid, je lijf en leden. Nieuwe kleding was zelfs niet nodig want de zon was er al om je op te warmen. Langzaam maakten dikke witte wolken plaats voor blauwe lucht.


Regen, regen, regen, over de pannen van het dak, de hele nacht door.
Liggend onder het donzige dekbed luister je naar de rustige ademhaling van je partner die je meevoert naar een diepe slaap.




Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens