zondag 5 september 2010
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - De Bomtrechter Afl.2 (slot)
Gepubliceerd op: 26-07-2010 Aantal woorden: 2196
Laatste wijziging: 04-08-2010 Aantal views: 62
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

De Bomtrechter Afl.2 (slot)

Henk Gruys


Toch bonsde mijn hart toen ik naderbij kwam, want hoe zouden deze jonge dorpsbewoners, die ik nog nooit ontmoet had, mij bejegenen? Als in een droom liep ik op hen toe. Ik keek niemand aan, in plaats daarvan staarde ik werktuiglijk in de krater. De bomen zag ik roerloos om het gat staan; hun wortels groeiden af tot in de smerige diepte. Steeds knoestiger werden ze naar beneden toe, van een eigenaardige grijsgroene kleur tot aan het doodstille water.
Zou ik als teken van verstandhouding of van gespeelde onverschilligheid maar eens achteloos in de trechter spuwen, net als die twee oude mannen vorige week? – Maar de tijd om iets te overwegen had ik niet, want die hele dorpse hoop der natie begon zich tegen mij te keren. Ze spraken mij niet rechtstreeks aan, maar overlegden met elkaar op luide toon: "Wie 's dat? — Wà doet-ie-ier? Zou íj er iets me t' mak'n hebb'n?" En alles in dat afschuwelijke dialect van de streek, met die haaltjes binnenin ieder woord. Het was een heel koor van kwaadaardige stemmen en ik voelde mij niet op mijn gemak, temeer daar er steeds meer grote jongens om mij heen kwamen staan. Straks zouden ze me nog in de krater duwen, en ik maakte mij op zo gauw mogelijk weg te wezen. Als een soort voorbereiding mompelde ik dat ik in het dorp logeerde (ik noemde naam en toenaam van het armzalige pension), dat ik verdwaald was, maar in de loop van de ochtend definitief zou vertrekken. Dit laatste was weliswaar een vreemde toevoeging aan het geheel, maar ik hoopte daarmee de belangrijkheid van mijn aanwezigheid wat te bagatelliseren.
Maar dat bleek overbodig, want ze vonden me blijkbaar toch te onbeduidend en duwden me hardhandig weg, bij het gat vandaan, alsof ik daar eenvoudig niets te maken had. In het bijzonder een nogal lange jongen met koortsuitslag op de lip en een sjaaltje om dat hem zeker enige flair moest verschaffen, leek er iets aan gelegen te zijn. Hij pakte me bij de schouder, bracht zijn gezicht vlakbij en beet me toe: "J' bent 'waarsch'wdman, and'rs gaan w' naar dburg'meestr!"
Ik wist absoluut niet wat het te betekenen had, maar het klonk uit zijn mond zó onheilspellend dat ik mij omdraaide en me direct weg haastte, bij de krater vandaan.
Ik sloeg vlug een willekeurig bospad in. Mijn voeten zakten in de zachte mosbodem weg of kantelden pijnlijk over verraderlijke wortels, maar ik bleef doorlopen. Toen ik na een paar minuten omkeek, zag ik dat de jongens het niet nodig hadden gevonden me achterna te komen. –
Aan stof tot nadenken weer geen gebrek; natuurlijk over het knagende gevoel, de eigenaardigheid waarom men mij toch meestal zo vijandig benadert. Waarom ik mij nu niet vrijelijk tussen die jongelui kon begeven, een gesprek aanknopen, vragen stellen, enzovoorts. Waarom was men altijd zo onvriendelijk tegen mij? Ik had niemand toch iets misdaan? Of lag het altijd uitsluitend aan mijzelf?
Peinzend over deze schuld en nadelige levenshouding liep ik alsmaar over de paden voort, steeds bijna automatisch mijn weg kiezend, zonder veel acht te slaan op de omgeving.
Het hoeft dus geen verbazing te wekken dat ik door de loop van de paadjes na enige tijd vanzelf weer in de buurt van de krater terechtkwam. Maar deze keer kwam ik helemaal aan de andere kant uit, zelfs nog achter het zogenaamde burgemeestershuis. En daar, realiseerde ik mij, was ik o wonder nog nooit geweest. Ik wist niet eens dat dáár ook een pad liep.
De achtertuin van het huis was evenzeer verwaarloosd. Zó zelfs dat het scheen of het huis al een hele tijd niet meer bewoond werd: het ijzeren spietsenhek scheef, de gazons al maanden aan hun lot overgelaten, de struiken warrig en het onkruid hoog opgeschoten.
Nieuwsgierig, maar ook met het vreemde idee dat ik beslist alles van het dorp moest hebben gezien voor ik vertrok, permitteerde ik mij het tuinpoortje binnen te gaan. Ik zag om een flauwe bocht een brokkelig pad naar de achterdeur, en voor de ramen grote gore gordijnen vol roestvlekken. Niet bepaald zoals je van een burgemeester zou verwachten... Maar er was er hier natuurlijk helemaal geen. Er was toch ook geen kerk of politiebureau? Wat zou een burgemeester hier ook moeten? De vrijpostige en te matineuze dorpsjeugd vermanen zeker... op ouderwets autoritaire toon...

Maar toen schrok ik. Want bij de achterdeur, vlakbij, stond een jong meisje. Het was het eerste meisje dat ik hier zag. Ik was verrast, zodat ik een moment aarzelde om terug te gaan. Daardoor had zij de gelegenheid mij te wenken. Aan haar gezicht, haar houding was te zien, dat het buitengewoon belangrijk was dat ik naar haar zou luisteren.
Ze was misschien vijftien, zag bleek, had holle ogen en ingevallen wangen. Haar blonde haren hingen in slierten over haar schouders. Kouwelijk leek ze, ineengedoken als een ziek vogeltje. Ik kwam aarzelend naderbij.
"Heb je hen gezien?" vroeg ze, zó intens dat ik er niet aan hoefde te twijfelen wie zij bedoelde.
Maar zij scheen nauwelijks antwoord te verwachten, ze zuchtte; in haar trillende handen hield zij haar zakdoek en een wit sigarettenpakje. Toen zei ze: "Weet je wat ze gedaan hebben bij de put?"
– De put? dacht ik. Dus die bomtrechter werd hier "de put" genoemd... – "Ik heb hen gezien," antwoordde ik met neergeslagen ogen omdat ik die kwijnende blik niet verdroeg, "maar ik logeer hier tijdelijk... ik weet niet wat ze deden."
"Logisch! Want wat ze uitgespookt hebben, daar hadden ze ook liever geen pottekijkers bij!" Ze vervolgde koortsachtig: "Je moet naar de politie gaan! Ze hebben haar vermoord en in de put gegooid, in stukken gehakt, ik heb alles gezien. Een vrouw... vanmorgen vroeg..."
"Een vrouw?" stamelde ik, "in de put...? Die jongens?" In mijn verbijstering moet ik nogal ongelovig hebben gekeken, want nu herhaalde zij het nog eens, smekend bijna, ik zag tranen in haar ogen.
Later wist ik natuurlijk wat ik had moeten antwoorden, ik had moeten zeggen: Waarom doe je zelf geen aangifte als je dat allemaal gezien hebt? Waarom vraag je dit nu aan mij? – Maar ik was veel te verbluft door haar onthulling, verlamd door medelijden. En ten dele toch ook wel verbaasd omdat míj zoiets werd meegedeeld. Mij als vakantiegast! Terwijl ik nog had aangenomen dat dit hele dorp zijn best deed zich aan iedere waarneming of bemoeienis van buitenstaanders te onttrekken.
Ik had haar wel willen troosten, haar aanraken, mijn arm om haar heen slaan. Maar dat durfde ik niet, daar ben ik nu eenmaal veel te verlegen voor. Ik wist absoluut niet wat te zeggen, te zeer aangedaan door haar verdriet en ontreddering. Ik schaamde mij hevig, al wist ik ook niet precies waarvoor. Opeens wilde ik weg, weg van dit huis, weg van die onheilige krater, van alles...

Ik ben de tuin uitgeslopen, in verwarring en twijfel. Wat kon ik doen? Terug naar de put met de jeugd en hen de bizarre beschuldiging overbrengen durfde ik niet. Ik voelde mij ineens moe en was blij dat het niet meer dan tien minuten lopen was naar het pension. De oude eiken rezen roerloos op langs de paden. De zon was verdwenen en de donder rommelde reeds aan zijn zware kettingen in de verte. Het was zeer benauwd en vochtig; de atmosfeer leek in passende aansluiting op mijn stemming van ongerustheid en dreiging.
Toen ik in het pension kwam, zaten mijn ouders aan het ontbijt in de achterkamer. Het was zeer donker buiten; weldra zou het gaan regenen. Ik dacht steeds aan het meisje, maar kwam niet tot een verklaring. Ik besloot mijn ouders voorlopig maar niets over het gebeurde te vertellen.
Maar tegen half tien stonden er opeens twee rechercheurs in de deur van de eetkamer; de pensionhoudster achter hen. Grote bonkige kerels, met zware achterwerken waaraan handboeien en revolvers slingerden, politie die blijkbaar uit een ander dorp was gekomen. Na een korte mededeling dat ze de opdracht hadden mij aan te houden om een verklaring af te leggen, moest ik tot verbijstering van mijn ouders mee.
"Dit moet op een misverstand berusten," stotterde ik in een poging hen gerust te stellen, "ik ben zo weer terug."

– Het verblijf op een zweterig kamertje op het bureau in een naburig dorp was zeer onaangenaam. Ik meende als getuige gehoord te worden, maar het kwam erop neer dat ze wilden weten waar ik die nacht en vroege ochtend was geweest. Werd ik als verdachte beschouwd? Ik was sprakeloos. Was er dan tòch iets gebeurd? Duidelijk werd dat het in ieder geval zeer ernstig was. Een moord gepleegd, dat bleek al spoedig. Bij de put...
Die hele ondervraging zou belachelijk geweest zijn, indien ik er maar niet steeds nerveuzer van was geworden. Het werd duidelijk dat het die jongeren bij de put moesten zijn geweest die me tenslotte hadden aangewezen. En dat was niet moeilijk, want ik had hen zelf verteld waar ik logeerde. De dikke twee hielden zich met de zaak bezig. En vooral met mij... Ze schreeuwden in mijn gezicht: "Waar was jij vannacht? Nou?!! Spreek op!! Anders dwingen we jou!!"
Ik had al herhaaldelijk verteld wat ik van het meisje in de tuin te horen had gekregen, maar die smerissen brulden dat dat pure fantasie was; ze wisten van geen meisje! – "En ontken nou maar niet; we hebben bewijzen, je bent er gloeiend bij!"
Ik voelde mij gevangen als in een web. Verrassend onrechtvaardig en agressief tegemoetgetreden. Ik had bovendien angst om wat de politie er van zou denken indien zij van mijn behandeling door een psychiater op de hoogte kwam!..
– Maar voor een martelaarsrol in de eeuwigheid ben ik toch niet in de wieg gelegd, dat weet ikzelf maar al te goed. Nadat mijn ondervragers na een kort telefoongesprek de kamer waren uitgegaan en na een kwartier teruggekomen, brak alles af en kon ik met achterlating van mijn adres mijn biezen pakken. Van excuses of terugbrengen was natuurlijk geen sprake.
Na anderhalf uur zwerven over rare weggetjes in de regen kwam ik geradbraakt terug bij het pension.
Mijn ouders bleven alsmaar vragen wat er nu eigenlijk aan de hand was. Al had ik het hen, telkens opnieuw en tot mijn wanhoop, wel tien keer proberen uit te leggen. Vooral bleven ze het vreemd vinden dat ik hen tevoren niets over mijn avontuur bij de put had verteld.
Maar natuurlijk geloofden zij mij tenslotte.
Tegen twee uur kwam de auto ons en de bagage voor de thuisreis ophalen.

Hier eindigde mijn avontuur in het dorp. Ons eigen huis ontving mij met zijn ruimte, bekende lichtval en opvallend weelderige bloementuin. Ik zat er uren in de zon te lezen, uitermate tevreden dat ik weer thuis was. Zelfs het angstwekkende verhoor had mij wonderlijk genoeg niet tot verdere zwaarmoedigheid gebracht. Integendeel, de gevreesde inzinking bleef uit, dit tot mijn verwondering. Natuurlijk was ik erdoor niet van mijn depressies verlost – maar ondanks alle schrik en bedreiging leek ik door het incident alleen maar innerlijk wat sterker, kalmer en evenwichtiger geworden.
Telkens moest ik terugdenken aan het voorval. En ik bleef nieuwsgierig naar een verklaring; hoewel ik twijfelde die ooit te weten te komen, want het was zeer de vraag of dit incident in de landelijke pers een rol speelde.
Het avondblad vermeldde een paar dagen later niettemin de vondst van een dode vrouw in dat dorp.
Er werd medegedeeld dat een gestoorde man, die, zoals er stond: "in het als het ter plaatse bekende, zogenaamde burgemeestershuis woonde, en ook de "burgemeester" genoemd werd", – die nacht een vrouw had omgebracht, in stukken gesneden en in een dorpse waterput geworpen.
De plaatselijke jeugd, al vroeg voor een schoolreisje op pad, had in de krater een hand boven water zien steken en alarm geslagen. –
Dáárom natuurlijk had mijn plotselinge komst hun argwaan gewekt.

Slechts veronderstellingen kunnen dit alles voltooien. Wóónde dat meisje in dat huis... Was die vermoorde vrouw soms haar moeder?..
En wat was dat voor man, die moordenaar?... Niet haar echte vader...
Misschien bedacht ik, was het meisje wel getuige geweest van de misdaad.
En had zij het verhaal van die jongens verzonnen om dat èchte vreselijke geheim, waarvan zij voor altijd deelgenoot was, aan niemand te hoeven vertellen... Maar tenslotte de ware toedracht aan de politie doorgegeven, waardoor mijn vrijlating werd bewerkstelligd. Ik herinner mij nog het meisje, en kan niet uitdrukken hoe deerniswekkend ik haar nog steeds vind.

Ik ben nimmer meer in dat ellendige dorp teruggeweest. Het scheen mij steeds meer toe dat het werd bewoond, op dat meisje dan na, – door mensen waarmee ik maar heel weinig affiniteit vertoonde, die ik niet begreep, mensen met rare afwijkende gedragingen... Ik had nooit geweten dat zo'n oord bestond... een plaats waar de bewoners zich vreemd uitten – primitieve lieden eigenlijk – kon je zeggen: zelfs min of meer... gekken?..
Soms denk ik zelfs dat mensen door zo'n rare omgeving wel eens zouden kunnen zijn áángezet tot een zekere waanzin.
Of zelfs tot zulke ernstige misdadigheid, wie weet.

Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2010 Geoffrey Reemer en René Claessens