zondag 5 september 2010
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Henk Gruys - De Bomtrechter Afl.1
Gepubliceerd op: 26-07-2010 Aantal woorden: 1890
Laatste wijziging: - Aantal views: 61
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

De Bomtrechter Afl.1

Henk Gruys


Het vakantiedorp waar ik met mijn ouders logeerde om geestelijk een beetje aan te sterken, had op mij helaas geen enkele opwekkende uitwerking. Integendeel zou je kunnen zeggen, want het was het meest geesteloze dorp dat ik ooit had aanschouwd. Voor het grootste deel bestond het uit oude, vervallen villaatjes in een bos, met wat nietszeggende huisjes eromheen. Van een bouwplan of ordening in de aanleg was blijkbaar nooit sprake geweest, alle huizen stonden schots en scheef dooreen. Straten of wegen waren er nauwelijks; meestal slechts brede, alsmaar rondlopende zandpaden die alles met alles schenen te verbinden. De onoverzichtelijkheid van het geheel werd nog vergroot door het feit dat deze paden vrijwel altijd door veel hoog geboomte werden overwelfd. Ook de huizen waren zonder uitzondering door reusachtige bomen omgeven – wat moest het binnen altijd donker zijn!
Ik, die zwak van constitutie ben en bijna altijd somber van aard, had mij nog wel voorgenomen op deze vakantie mijn versukkelende leven van de laatste jaren zoveel mogelijk te vergeten.
Ik wandelde daarom, tenminste wanneer het droog weer was, voor enige ontspanning rond in de ongezellige omgeving.
De eerste dagen liep ik nogal te dwalen, dacht na een nieuwe route vaak dat ik eindelijk terug op bekend gebied was. Maar dan bleek het een nieuw gedeelte van het dorp te zijn; de oppervlakte scheen telkens groter dan ik dacht. Van de bevolking zag ik bijna niemand, al kon dat natuurlijk komen door het kille grijze weer. Het leek zelfs of een aantal huizen leeg stond. Zag ik wèl eens een bewoner, dan gedroeg deze zich als een schuwe vogel, bleef op ruime afstand of was meteen weer tussen het geboomte of in huis verdwenen, zonder dat ik gelegenheid had mijn hand tegen hem of haar op te steken.
Toch kwam ik, als door een wonder, van mijn omzwervingen steeds vanzelf bij ons pension terug.
De enige oriëntatiepunten in de omtrek waren nog de twee lanen die van en naar een naburig stadje liepen. Die ben ik eens een heel eind afgegaan om te zien of ze eindelijk ergens zouden ophouden. Maar dat heb ik niet kunnen ontdekken. – Ze leken zó sterk op elkaar dat het was of het landschap hier met spiegels werkte.
In het dorp, of hoe je het noemen wilt, ben ik niettemin een keer bijna verdwaald; liep ik een tijd alsmaar in kringen rond, omdat alles zo op elkaar leek. En ik kwam er om een of andere reden niet toe ergens de weg te vragen. Uiteindelijk ben ik natuurlijk wel weer thuisgekomen, zij het veel te laat voor het avondeten. –
Een ander baken in de onoverzichtelijkheid was een diepe kuil in de grond, op een bomtrechter gelijkend, zeker zes meter in doorsnee, halfvol regenwater en overhuifd door geboomte. Die kuil lag voor mijn gevoel ergens aan de rand van het dorp. Maar omdat alles zo onbepaalbaar was, kon het ook wel meer naar het midden zijn. Drie bochtige paden, die buiten het dorpje naar het scheen zelf allang de richting kwijt waren, liepen erheen.
En als om het eigenaardige van deze krater nog wat te benadrukken, stond ertegenover een groot en bijzonder somber herenhuis van grauwe steen met holle ramen en een warrige tuin. Zoals vaker bij oude huizen, werd ik door dat grauwe pand nogal gefascineerd. Ik zou er met deze regenachtigheid wel eens naar binnen willen gaan om te zien hoe het dáár was. Maar het zou zonderling zijn aan te bellen en te vragen of ik even een kijkje mocht nemen. Volgens mijn vader – die dat weer gehoord scheen te hebben van de pensionhoudster – werd het huis bewoond door de burgemeester. Ik kon zoiets echter nauwelijks geloven, gezien de kwalijke staat ervan, ongeveer een afbraak. –

Mijn ouders vertoonden tijdens de vakantie nauwelijks enige werkzaamheid; ze zaten de hele tijd op hun stoelen in de kamer. Maar ik heb geen rust, ik kan in zulke ledigheid en nietsdoen geen bevrediging vinden. Ik bleef rondzwerven in het bos. –
Drie dagen na onze komst zag ik op een wandeling voor het eerst zowaar mensen bij die bomtrechter, twee oudere mannen. Ze hadden een gesprek en spuwden om beurten in het gat. Ik wierp in het voorbijgaan een nadrukkelijke blik in de diepte, net of dat mijn bijdrage aan hun discussie was, maar die twee deden of ik helemaal niet bestond.
Weer enige dagen later, op een avond toen het al donker was – en dat was het al gauw met dat geboomte en regenweer – en ik weer op "verkenning" was geweest, ben ik op de terugweg bijna in die verdomde kuil gevallen. Er was geen afrastering, geen verlichting, zelfs geen waarschuwingsbord.
Ik was kwaad en nam mij voor de volgende dag de verantwoordelijke autoriteiten, waar die zich ook mochten bevinden, op het gevaar dat een argeloze vakantieganger bedreigde, ernstig te wijzen.

Maar de volgende dag vond ik mijn boosheid weer overdreven en alle ophef niet belangrijk meer, gezien ook ons spoedige vertrek.
De werkelijke reden was echter dat ik mij weer meer in een toestand van zenuwzwakte en treurigheid voelde wegzinken, en wist weldra energie te kort te zullen komen om mij over zulke zaken druk te maken. Ik bemerkte dat de echte, diepe neerslachtigheid weldra weer over mij heen zou komen en voelde de weerzin tegen het voorspelbare ziekelijke ongemak en ernstige futloosheid die mij daarbij weer te wachten stonden.
Want geen ongeluk of lichamelijk gebrek is het waardoor mijn leven beheerst en getekend wordt, maar regelmatig terugkomende neurotische depressies en levenspessimisme. Waarvan ik – o misvatting van mijn ouders, die steeds mijn geluk en genezing voor ogen hebben – in dit treurige dorp dus zou moeten herstellen...

Het was bar slecht weer gedurende de laatste twee dagen.
Omdat ik geen andere ontspanning wist, bracht ik de dag voorafgaande aan die van ons vertrek door met lezen, alleen, boven op de slaapkamer. Als ik opkeek van mijn roman, zag ik de regen spatten tegen de raampjes en op de kruinen van de bomen. Ik kon me niet herinneren ooit zo'n natte zomer te hebben meegemaakt. De overdrijvende wolkenluchten maakten het beddegoed, lelijke meubels in de slaapkamer en de droefgeestige wanden van gebeitst triplex nog donkerder. Toch wilde ik het bedlampje niet ontsteken, want dit zou alles nog erger hebben gemaakt. Ik bleef niettemin hopen dat door de rust en afleiding van mijn lectuur het in de loop van de middag wat beter zou gaan. Want men kan niet beweren dat ik niet op zoek ben naar mijn innerlijke evenwicht, of dat ik de hoop op genezing al heb opgegeven.
Toen de hemel om zes uur wat opklaarde, besloot ik in godsnaam dan nog maar wat in de omgeving te gaan wandelen. Teneinde zo aan de steeds grotere mismoedigheid, die sluipend en dwars door de etherische beleving van mijn boek heen, reeds overal in lichaam en geest merkbaar was, proberen te ontkomen.
Ondanks alle onoverzichtelijkheid begon ik het dorpje al wat beter te kennen. Zo wist ik ongeveer hoe ik moest lopen naar het enige winkeltje, waar men alles veel te duur verkocht wat men uit gewoonte niet nodig had, en dat eruitzag als het huisje van de heks uit een boosaardig sprookje. Zoals gewoonlijk was er weer nergens iemand in of bij de huizen te zien. De regen had bomen, paden en gras volkomen doorweekt en met rottende geuren omgeven.
Het winkeltje, waar ik batterijen voor mijn radio had willen kopen, was al dicht. – Ik was, na een half uur over de bospaadjes rondgedoold te hebben, verkild tot op het gebeente.
Een verloren dag al met al, moest ik vaststellen... Maar was de hele vakantie dat eigenlijk niet... Des te beter dat de komende ochtend de laatste was die ik in deze onzin moest doorbrengen.
Uit pure lamlendigheid en inwendig protest ging ik die avond vroeg naar bed. Lezen wilde ik niet; ik deed meteen het licht uit en probeerde in slaap te komen. Maar dat lukte slecht; zelfs het dekbed leek klam en onaangenaam (misschien omdat ik dekens gewend ben), en ik voelde me ontheemd, ongemakkelijk. O, hoe hadden mijn ouders in hemelsnaam kunnen besluiten uitgerekend hier de vakantie door te brengen? In dit achterlijke dorp, zonder straten, met die weggescholen huizen en dat belachelijk landschappelijk lidteken van die krater als centrum? Ja, het was een geluk dat ik hier morgen wegging.
Ik sliep die nacht onrustig en droomde aanhoudend over rare omstandigheden die bij dat vertrek een rol speelden, en waarin om onduidelijke redenen ook het zogenaamde burgemeestershuis betrokken was. – De volgende ochtend ontwaakte ik onmogelijk vroeg. Terwijl ik een lange tijd wakker lag, in het gezicht van de ramen die zich als lichtere wakken in de wand aftekenden, bekroop me de angst dat ik hier heel snel zó ziek zou worden, dat ik helemaal niet eens meer weg zou kùnnen. –
Toen het op mijn horloge zes uur was, kleedde ik mij ondanks duizelingen en zweterig gevoel aan, en sloop naar beneden. De pensionhoudster bleek ondanks het vroege uur al op. Ze sneed rozen af in de achtertuin. Rozen die niet leken te geuren. Ik vroeg haar of ze tegen mijn ouders wilde zeggen dat ik een ochtendwandeling was gaan maken. Ze knikte stug en ging verder met haar werk. Ik wist vanaf het begin dat ik niet zeer bij haar in de smaak viel.
Ik verliet het huis aan de achterkant. Altijd als ik het pension uit ging, verbaasde ik mij erover hoe snel het door het dichte gebladerte aan het oog werd onttrokken.
Het weer leek niettemin wat beter. De temperatuur was lauw en de regen opgedroogd; alleen op de paden lagen nog modderplassen. De bomen ruisten in een zwakke wind en stonken niet meer zoals de vorige avond.
Doelloos zwierf ik rond in de omgeving. Soms hing nog ergens een houten pijl voor de richting aan een stam, maar dan waren de letters er al jaren geleden afgeregend. Zag ik een willekeurig ander pad, dan sloeg ik dat consequent in.

Nu had ik vaker ondervonden: als je hier geen bepaalde route in gedachten had dan kwam je steevast bij die bomkrater uit. Waarom dit zo was – ik weet het niet. Het gaf het idee dat aan die vreemde bestemming – op het demonische af – op geen enkele wijze viel te ontkomen.
Na enige tijd merkte ik dan ook weer dat ik onmiskenbaar bij dat gat zou eindigen.
Maar anders dan de vorige keren zag ik tot mijn verrassing dat er nu veel jonge mensen zich bij de krater ophielden. Merendeels opgeschoten jongens, gekleed in sterk verbleekte overhemden, misschien hier samengekomen op weg naar hun werk? Dit was eindelijk de oudere jeugd van het dorp, die zich tot nu toe slechts aan mij gemanifesteerd had door de oude autobanden die ze in de bomen hadden gegooid. Jonge kinderen zag ik nu ook, en iedereen scheen nogal opgewonden en luidruchtig.
Later heb ik verondersteld dat zij wellicht in afwachting van zoiets als een busreisje waren, maar nu werd ik door deze vreemd-vroege samenscholing nogal overvallen. Maar hoe dan ook, ik werd nieuwsgierig en daardoor vergat ik even mijn reserves en verlegenheid; het was per slot mijn laatste dag hier, wat kon mij nog gebeuren? (Wordt vervolgd).

Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2010 Geoffrey Reemer en René Claessens