Klik hier om terug te gaan naar de web-site versie.

Laure rent (1/5)

Manon

‘Hé, Laure!’
Zodra ik hem zie begin ik te lachen. Hij schiet ook in de lach. Dat gebeurt altijd. Als we elkaar zien moeten we lachen.
‘Wim!’
Er is nog een plaatsje vrij naast hem en uitgeput laat ik me vallen op de bank. Ik plak een dikke, bezwete zoen op zijn wang en hij glimlacht. Tegenover ons zit een dikke dame met headphones op. Ze let helemaal niet op ons. Ze staart uit het venster en kijkt naar de muziek in haar hoofd.
‘Hoe gaat het?’ vraagt hij. En ik vertel hoe ik twee uur geleden ook op de trein zat, maar dan in de andere richting.

Ik maakte me klaar om uit te stappen en merkte iemand op die ook stond te wachten tot de trein zou stoppen. Ik kende die man. O nee, dacht ik. Niet nu!

‘Anders ook niet,’ zegt Wim, en we proesten het uit.
‘Inderdaad. Nee. Nooit. Maar nog even, en hij zou me zien staan. Dan zou hij naast me komen, en we zouden samen uitstappen.’
‘Wie was het?’ vraagt Wim. ‘Ken ik hem? Het was toch Karel niet?’
Dat is reden voor nog grotere hilariteit. Als Karel nog maar de schim van een vrouw ontwaart, gaat hij er al achteraan.
‘Nee, zo erg was het nu ook weer niet. Maar juist daardoor was het zo beklemmend, snap je? Deze man, Bart heet hij, ik weet niet of je hem kent...’
‘Bart? Is dat zo iemand met een eerder dik, rond gezicht? Blond?’
‘Ja, precies, die bedoel ik.’
‘Maar daar hoef je toch niet... die is toch...’
Ik laat Wim niet uitspreken, ik wil verdergaan met mijn verhaal.

‘Ik dacht, hij zal naar me glimlachen, hij zal stralen van verrukking omdat hij me terugziet, hij zal honderduit vertellen over zijn leven en natuurlijk zal hij mij ook alle tijd laten om mijn gevoelens te uiten... Wat, je moeder gestorven? O, hoe vreselijk. Heeft ze geleden? Is het snel gegaan? Hoe oud was ze? En hoe voel je je nu, kun je het aan?
Dat wilde ik koste wat kost vermijden. Dus voor hij me in de gaten kon krijgen, glipte ik het rijtuig uit. Achter me hoorde ik de perslucht van de dichtgaande deuren. Op het perron, in de grijze herfst, met mijn grijze kleren, was ik nauwelijks te onderscheiden van het landschap. De zon straalde door een bewolkte en toch nog blauwe lucht. Een spinnenweb tussen twee dienstpanelen leverde een flits van schoonheid en ik loste op in de omgeving.
Ik was vrij.
Dacht ik.
En dan hoorde ik zijn stem. ‘Laure! Hé, Laure!’


‘Hij was dus ook uitgestapt,’ grinnikt Wim. En hij voegt eraan toe: ‘Nu ja, dat is niet zo bizar. Hij woont hier immers.’
‘Inderdaad, ja!'

Hij was uitgestapt! En hij had me gezien!!!
Ik begon te rennen.
Achter mij hoorde ik voetstappen die steeds sneller gingen.
Hij kwam achter me aan!


Wim ligt nu helemaal plat van het lachen. ‘Dat kon niet anders,’ hinnikt hij. ‘Zo moést het lopen.’
‘Rennen,’ zeg ik.
‘Zo zijn wij toch, jij en ik? Als jij een man ziet, begin je te lopen. En als ik een vrouw opmerk... We kunnen niet hard genoeg aan de haal gaan.’
‘Alsof ons leven ervan afhangt!’
‘Het leukste is nog wanneer Karel erbij is,’ grinnikt Wim. ‘Heb je daar al eens over nagedacht?’
‘Ik kan het me voorstellen... jij, Karel en ik op één lijn. Wat zou dat geven! Als Karel een vrouw nog maar ontwaart, begint hij al achter haar aan te hollen. Stel je voor dat ik die vrouw ben... dan ga ik voor hem aan de haal. En als jij op dat ogenblik net voor mij staat, en je ziet me jouw richting uitkomen... we zouden een onvermoeibare eersteklas topploeg vormen.’
‘Een beetje handige coach kaapt met ons alle wereldprijzen weg,’ glundert Wim.
‘Alleen jammer... één ding klopt toch niet. Want jij en ik zitten hier nu gezellig naast elkaar te kwetteren, zonder van elkaar weg te vluchten.’
‘Ja, dat is waar, als wij elkaar zien zetten we het niet op een lopen.’
‘Je bent nochtans een man.’
‘En jij een vrouw! O, horror!’
‘Van elkaar vrezen wij al lang niets meer.’
‘We weten dat we elkaar niet moeten,’ grijnst Wim. ‘Maar hoe ging het verder met die Bart? Heeft hij je ingehaald?’
‘O, ik hoorde mijn naam! “Laure!” Eigenlijk heet ik Laurent, wist je dat? Mijn moeder had niet eens een meisjesnaam voor me klaar toen ik geboren werd.
‘Moeders!’ zucht Wim.

‘Ik moest Laurent heten, ik moest een jongen zijn. Vandaar dat het niet Laura geworden is. Ik kreeg niet een typische meisjesnaam, met het vrouwelijke einde op ‘a’. Mijn moeder gaf me de naam van een jongen min twee letters.
Jaren later rende de mislukte jongen die ik ben de trap op naar de uitgang in het station, en terwijl ik aan het rennen was vroeg ik me af waarom ik niet bleef staan. Waarom kon ik niet gewoon een woordje met Bart wisselen, hem vertellen dat mijn moeder helemaal niet geleden heeft, en dat haar dood best te aanvaarden valt voor mij. Ze was oud, ze heeft beslist een zwaar leven gehad, maar ze hoefde nooit te klagen... ik heb haar altijd goed verzorgd. Dat kon ik hem toch gewoon zeggen, en vervolgens mijn weg verderzetten?
Maar nee, dacht ik dan. Bart zal een afspraak willen. En hij is aantrekkelijk, nogal onweerstaanbaar zelfs.’


‘O ja,’ vindt Wim ook. ‘Een hele vriendelijke jongen. En erg verstandig. Hij heeft een goede baan bij de overheid, ik denk dat hij op het ministerie van sport werkt.’
‘Stel je voor dat ik door hem zou worden aangesproken? Ondanks al mijn gehol en gevlucht voor mannen bekruipt mij soms toch het verlangen naar een gezellig gezinnetje. Dat overkomt iedereen weleens. Jou toch ook?’
‘Uh uh,’ zegt Wim ontwijkend, en we barsten in lachen uit.

‘Bart heeft zoveel jaren achter mij aan gezeten, en ik wilde hem niet nog eens subtiel afwijzen. Dus in volle vaart rende ik de inkomhal van het station door, en daarna het stationsplein over. Ik negeerde de bus – Bart zou ook in de bus kunnen stappen, en ik moest toch niet ver gaan. In plaats van naar de bushalte te gaan, rende ik naar de achterkant van het station. Ik nam het pad langs de velden, ik holde onder de grijsblauwe lucht, maar in plaats van het landschap zoefden de gezichten langs me heen van alle mannen die ik in al die jaren al afgewezen heb.’


(wordt vervolgd)

Deze tekst is toegevoegd op 08-09-2011 door Manon .